Opgezweept tot onstelpbare lust

De Italiaanse tekenaar Milo Manara staat bekend als een erotisch provocateur. Komend weekend is hij te gast op literair festival Winternachten in Den Haag.

Illustraties Milo Manara

‘Rome is geen heilige stad meer, maar een bordeel, heidens en wetteloos”, roept een straatprediker in de eerste beelden van de vierdelige stripreeks Borgia. „Kardinalen nemen steekpenningen aan en houden er minnaressen op na! De schande, het verderf en de wellust regeren!”

In Borgia vertelt scenarist Alejandro Jodorowsky over de familie Borgia, met als middelpunt de beruchte Roberto Borgia, van 1492 tot 1503 in functie als paus Alexander VI. In perversiteit, machtsmisbruik en waanzin steekt deze paus keizer Caligula naar de kroon. Zijn dochter is zijn minnares, Pasen wordt gevierd met een orgie. Om paus te worden, laat hij concurrenten doden en beroven en bij volgelingen van een andere kardinaal de penissen afhakken. Het zijn omstandigheden waarin tekenaar Milo Manara als geen ander gedijt. Zijn hele leven al tekent de Italiaan (1945) het liefst wellustige vrouwen.

Manara, komend weekend te gast bij literair festival Winternachten in Den Haag, geldt als een internationale ster. Zijn belangrijkste claim to fame is niet zijn fabelachtig precieze stijl, maar de twee stripalbums die hij maakte met Fellini, van projecten die de regisseur niet verfilmd kreeg.

In de stripwereld is Manara, wiens werk ook royaal in het Nederlands werd vertaald, berucht als erotisch provocateur. Van zijn hand verscheen in 1982 De schakelaar, dat uitgroeide tot een cultklassieker. Met de schakelaar kunnen vrouwen op afstand tot grote lust worden opgezweept. Een gefrustreerde dokter gebruikt het apparaatje om wraak te nemen op een frigide schoonheid, die hij stimuleert tot seksuele handelingen op openbare plekken om haar te vernederen. Radeloos van de onstelpbare lust vergrijpt ze zich aan ieder die zich bij haar in de buurt bevindt: verkoper, priester, bediende, bioscoopganger, en zelfs een jongetje en een hond.

Niet dat het porno is wat de Italiaan maakt; bij de seksuele handelingen blijft het mannelijk lid buiten beeld en zijn vrouwen zijn geen opgepompte playmates. Toch wringt er iets. Terwijl hij mannen tekent met alle variaties van het dierenrijk – ze lijken op padden, paarden of leguanen – zijn de vrouwen op een eenduidige manier aantrekkelijk en jong. De man bij Manara is primitief en gewelddadig, de vrouw slachtoffer. Zij wordt verkracht, aangerand of anderszins overmeesterd. Zijn favoriete pose is een vrouw met alleen een hemd aan dat tot halverwege de billen valt. Die nauwelijks bedekte naaktheid maakt hen kwetsbaar, klaar voor de rol die ze spelen in zijn verhitte fantasie: die van prooi.

Manara, die begon met strips in 1969, is een typisch product van de libertaire, anti-bourgeoisie revolte van ’68. Maar naar hedendaagse maatstaven is de geest van seksuele vrijheid in zijn oeuvre eerder een uitwas. Er is niets speels of liberaal aan de mechanische blik waar Manari vrouwen aan onderwerpt. In Nederland zetten tekenaars als Typex en Marcel Ruijters zich ook af tegen de eenzijdige benadering van vrouwen als lustobject in strips. „Dan kijk je niet naar een lekker wijf, maar naar een alien, een masturbatiefantasie van puisterige jongens”, zei Typex vorig jaar in deze krant.

De overmeesterde vrouw zit zelfs in Manara’s meest ambitieuze stripreeks, die rond het personage Giuseppe Bergman. Het eerste deel, HP en Giuseppe Bergman, (1978) leest als een magische trip en zelfs zijn scherpste critici geven toe dat het een meesterwerk is. In deze postmoderne vertelling is Bergman zich overmatig bewust van de avonturen die hij moet beleven om de lezer te gerieven. Vergezeld door de enigmatische HP (een verwijzing naar Manara’s vriend en collega Hugo Pratt) zwerft Bergman over de wereld. Plotselinge verplaatsingen en veranderingen van omgevingen benadrukken het fictieve karakter van zijn reis: een indianendorp in de jungle wordt in twee plaatjes overwoekerd door struikgewas als hij vertrekt. Tussentijds spreekt Bergman geregeld de lezer toe. Of richt hij zich tot de tekenaar? Als hij in de jungle zijn behoefte gaat doen en zijn broek laat zakken, roept hij: „Wegwezen. Film wat anders.” Het avonturenboek is door Manara verpakt als pseudodocumentaire.

De brokkelige structuur biedt Manara de kans een bont boek te maken, met politieke satire, slapstick, oorlog, maatschappelijk commentaar en suspense. Het laat ook goed zien dat hij op zijn best is in het tot in detail uitspelen van scènes. Het geeft zijn strips een uitgesproken filmisch karakter.

Hij excelleert in een van de grootste opgaves van de stripkunst: het juiste moment kiezen om een beweging in beeld te bevriezen en de actie toch vloeiend en natuurlijk houden. Die gave wordt gestut door zijn beheersing van het potlood. Zijn felrealistische zwart-wittekeningen, met griezelig perfecte lijnvoering en spannende schaduwwerking, krijgen alle ruimte.

De erotiek in HP en Giuseppe Bergman komt onder meer van een scène waarin een jongetje van circa dertien zijn moeder met een stok slaat en haar ontkleed in een kamertje duwt met vier mannen om zijn gokschuld te vereffenen. Bergman kijkt in de ‘camera’ en zegt: „Was die scène sexy of niet?” Maar in dit boek steekt nog enig schuldbesef de kop op, als Bergman een hoofdstuk verder de gebeurtenis als „nogal vunzig” afdoet.

In Borgia en in de samenwerking met Jodorowsky, die ook bekend is als maker van surrealistische cultfilms, vallen de voorliefdes en talenten van Manara op hun plek. De reeks levert beiden ook aanzien op. Ze werden vorige week allebei genomineerd voor de Grote Prijs van Angoulême, de belangrijkste Europese stripprijs, die vorig jaar naar de Nederlander Willem ging. Eerder al sleepte Manara een Eisner Award in de wacht (de strip-Oscar) als tekenaar van een van de boeken uit de Sandman-reeks van Neil Gaiman. Ook in dat geval verrichtte een ander het schrijfwerk. Laat Manara maar tekenen. Dat kan hij als de beste.