Geen weg terug in de bloedige burgeroorlog in Zuid-Soedan

In Ethiopië is vredesoverleg bezig. Maar niemand ziet nog een oplossing.

Inwoners uit de door oorlogsgeweld getroffen stad Bor zijn net de Witte Nijl overgestoken. Verderop zijn geïmproviseerde kampen ingericht voor hen. Foto AFP

Daniël Deng herkent de uitzichtloosheid van de crisis in Zuid-Soedan. Hij was een kind toen hij in de jaren negentig door het Zuid-Soedanese bevrijdingsleger werd gedwongen mee te vechten in de oorlog tegen het gearabiseerde noorden van Soedan. Net als tienduizenden andere zogeheten lost boys. Maar toen er een scheuring kwam binnen de toenmalige onafhankelijkheidsbeweging SPLM, nam de rivaliserende factie plotseling wraak. Enkele familieleden van hem uit een dorpje bij de stad Bor werden gedood.

Nu herhaalt de geschiedenis zich. De SPLM, sinds de onafhankelijkheid in 2011 aan de macht in Zuid-Soedan, is weer uiteen gevallen. Naar schatting zijn al zo’n 10.000 doden gevallen in de strijd tussen de troepen van president Salva Kiir en die van voormalig vicepresident Riëk Machar. Bijna een half miljoen mensen zijn op de vlucht; tienduizenden proberen weg te komen naar buurlanden.

Optimisme over een snel einde aan de burgeroorlog is vervlogen. In de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba wordt onderhandeld over vrede. Maar de kans op welslagen is nihil. De strijdende partijen tonen zich niet bereid tot concessies. Ze hebben tweederangs onderhandelaars gestuurd. Die kwamen eerst bijeen in een hotel, inmiddels inmiddels zijn ze verhuisd naar een nachtclub in Addis Abeba.

Bovendien heeft het conflict een internationale dimensie gekregen. Buurland Oeganda heeft zich openlijk aan de zijde van president Kiir geschaard. Het stuurt troepen en zwaar materieel. Twee weken geleden al beschuldigde Riëk de Oegandese luchtmacht ervan zijn manschappen te bombarderen bij Bor.

Critici als de Franse hoogleraar Gérard Prunier bestempelen de Oegandese president Yoweri Museveni wegens zijn interventionistische houding als ‘de Bismarck van Afrika’.

Vuil

„Er is geen uitweg meer. Zuid-Soedan is begonnen aan een nieuwe oorlog”, zegt voormalig kindsoldaat Deng. „Onze leiders kennen alleen maar oorlog, hun hersenen zijn gevormd door oorlog. Ze hielden zich nooit aan mensenrechten tijdens de oorlog en ook nu niet.” Drie weken geleden week Deng uit naar de Keniaanse hoofdstad Nairobi. „Al het opgestapelde vuil van de oorlog explodeert in ons gezicht. Opnieuw vechten onze leiders voor hun macht ten koste van burgers”.

Anderen delen dat pessimisme. „Dit is oorlog en de winnaar zal degene zijn die de ander militair en diplomatiek uitschakelt”, schrijft hoogleraar Prunier, kenner van de Hoorn van Afrika, in het blad l’Express. Volgens hem is er „geen enkele kans” dat het vredesoverleg slaagt.

De kiem voor het conflict werd afgelopen zomer gelegd toen president Kiir zijn ambitieuze vicepresident Riëk ontsloeg, evenals een groot deel van zijn kabinet. Aangevuurd door een groepje van vijf naaste adviseurs koos Kiir de confrontatie: hij ontbond afdelingen van de regerende SPLM, zuiverde het leger van vermeende dissidente officieren en vulde de Presidentiële Garde met eigen aanhangers uit zijn geboortestreek. In het weekeinde van 15 december kwam het conflict tot uitbarsting op een partijvergadering over democratisering, waarbij Kiir riep dat Riëk een staatsgreep wilde plegen. Riëks huis in de hoofdstad Juba werd door tanks en mortiervuur kapot geschoten. Familieleden en lijfwachten kwamen om.

Riëk zelf ontsnapte door een gat in het hek om zijn huis. Tot ieders verbazing ontwikkelde zich onder zijn leiding razendsnel een grote opstand in het leger. Soldaten van Riëks stam, de Nuer, sloegen massaal aan het muiten. Dinka’s van de Presidentiële Garde voerden slachtingen uit onder Nuers in Juba.

Zo kreeg de politieke strijd tussen Kiir en Riëk – net als in het verleden – een sterke tribale dimensie. Toen legercommandant Peter Gadett, aanhanger van Riëk, enkele weken geleden de stad Bor innam en daar huishield onder Dinka’s, werd een nauwelijks meer te stoppen cyclus van geweld tussen de stammen op gang gebracht. „Ik ken hele Nuer-families die zijn vermoord. Hun lijken zijn gedumpt in massagraven of in de Nijl gegooid”, vertelt de dochter van een hoge politicus uit Juba. Ook zij is nu in Nairobi.

Oorlogsretoriek

In de perceptie van de Dinka’s moeten alle Nuers worden verslagen om Riëk te kunnen vermorzelen. „Begrijp je nu waarom er niets te bepraten valt bij het vredesoverleg in Addis Abeba?”, schimpt Daniel Deng.

Terugkeer naar de situatie van voor medio december, toen de strijd losbarstte, geen optie meer is. De gebezigde oorlogsretoriek roept gevoelens van déjà vu op bij iedereen die de oorlog in Soedan tussen 1983 en 2005 volgde. „Onze dappere strijders hebben de tegenstanders in de pan gehakt en zullen binnen 24 uur Malakal innemen”, stond deze week in een verklaring van Riëks troepen. Een van zijn tegenstanders, de huidige vicepresident James Wani Igga, reist door zijn thuisregio Equatoria en ronselt duizenden rekruten om te vechten tegen Riëk „om onze democratie en ons vaderland te verdedigen”.

Ook Princeton Lyman, voormalig Amerikaans diplomaat die tijdens de vorige burgeroorlog bemiddelde in Soedan, ziet geen weg terug. Herstel van de oude status quo zal alleen maar leiden tot „herhalingen van eerdere mislukkingen”, schreef hij. Handjeklap tussen de elites, zoals in het verleden gebeurde om ruzies bij te leggen, kan niet meer. Lyman pleit daarom voor internationale voogdijschap over Zuid-Soedan. Het buitenland moet het land op de been helpen, zoals eerder gebeurde in Namibië en Liberia.