‘Excellentie’ is net als de zesjescultuur

De universiteit is er niet voor het papiertje of voor hoog scoren, vindt Martine Oldhoff.

Met onze welgemeende zorgen over excellente bolleboosjes en middelmatige figuren blijven we om de hete brij heen draaien: de universiteit zelf. Vorige week hield Jeroen van Baar in NRC Handelsblad een pleidooi voor de zesjescultuur. We lijden onder prestatiedruk en moeten tevreden zijn met middelmatigheid. Hoewel ik zijn zorgen deel, mis ik een analyse van de functie van de universiteit in onze samenleving.

De prestatiecultuur is een gevolg van de nauwe focus op economisch nut, die ook het denken over de universiteit sterk heeft beïnvloed. Niet het meten van prestaties is het probleem maar de onderliggende instrumentalisering van de universiteit.

De universiteit is een bijzondere plaats, waar je zogezegd ‘vrij’ mag leren en die onafhankelijk denkende hoogopgeleiden dient te creëren. Universitaire vorming is van oudsher gericht op het ontwikkelen van oordeelsvermogen. Een vleugje creativiteit, intellectuele bescheidenheid en openheid voor verscheidene perspectieven.

Dit alles in de hoop dat de gelukkige studenten naderhand in staat zijn tot weloverwogen participatie in de samenleving om die te verheffen. We gaan dus een stapje verder dan alleen het geluk van het individu. De universiteit staat ten dienste van de hele maatschappij en heeft een kritische functie. Zij is er niet alleen voor productie van fijne volwassenen met een goed gevulde portemonnee.

Toch is voor velen de universiteit een ticket voor een mooie baan en een comfortabel leven. Bot gezegd: de universiteit dient in de ogen van een ouder, kind en politicus, als instrument om het liefst veel geld te verdienen. Een organisatie voor individueel en collectief succes en nut.

Het valt niet te ontkennen dat een goede baan een mooi neveneffect is van een universitair diploma. Toch is het schadelijk voor de intellectuele ontwikkeling van onze Nederlandse en internationale gemeenschap als we slechts onder de vlag van economie en werkgelegenheid varen. Dan studeren we niet meer voor de kennis, maar louter voor welvaart. Belangrijker: de universiteit wordt een instrument in dienst van de economie en verliest haar kritische functie.

De student die zesjes haalt om het papier te bemachtigen en de ‘excellente’ student die zich kapot presteert om bij McKinsey binnen te komen, getuigen allebei van deze instrumentalisering.

Meetbare prestatie an sich is geen probleem. Wie de stof begrijpt, zal waarschijnlijk goed presteren. Dat is mooi. De fixatie op meetbare prestatie wordt pas een probleem als het de student slechts te doen is om de cijfertjes en papiertjes in plaats van om kennis. Wie slechts leert om de meute af te troeven en veel geld te verdienen, is inderdaad een egoïst en een potentieel gevaar voor de samenleving. Wie slechts leert om het zesje en het papiertje, lijkt op het excellente studentje. Wie leert uit interesse en ook om bij te dragen aan een goede samenleving is van onschatbare waarde.

De excellentiecultuur én de zesjescultuur zijn in hun huidige vormen allebei af te wijzen, omdat ze het verlengstuk zijn van een maatschappij met economie als levensdoel. Het gaat op de universiteit niet primair om relaxte individuen, maar om de ontwikkeling van kritische geesten ten dienste van de samenleving.