Clubcircuit: krimp in kweek poptalent

Nederlands beste nieuwe bands spelen op het festival Eurosonic/Noorderslag in Groningen. Maar de aanwas van poptalent neemt af door een veranderend clubcircuit.

Caro Emerald op het podium van Patronaat in Haarlem Foto Andreas Terlaak

Op dit moment wordt Groningen overspoeld door nieuwe popmuziek: vandaag en morgen met honderden optredens tijdens Eurosonic, het jaarlijkse festival voor Europese bands, en zaterdag op Noorderslag, met uitsluitend Nederlandse artiesten. In Groningen worden nieuwe acts ontdekt, tournees geboekt, carrières gelanceerd – van vooral vaderlandse acts. Dit is hét weekend dat we halleluja roepen over flair en kaliber van de Nederlandse muziek.

Op dit moment floreert de sector. Nederlandse artiesten spelen voor uitverkochte zalen, Nederlanders treden op in het buitenland. Maar de vraag is: hoelang nog? Hoelang kunnen we in januari nog genieten van nieuwe Nederlandse aanwas, en vooruitkijken naar een popjaar waarin beginnend talent zijn kwaliteiten toont aan een geïnteresseerd publiek?

Want de huidige situatie kalft af, door veranderingen in het clubcircuit. Popzalen hebben last van stijgende exploitatiekosten en teruglopende subsidies. Reactie van de programmeurs: op safe spelen door vooral bekendere namen te boeken. Die trend blijkt uit de cijfers: de laatste paar jaar werden minder concerten georganiseerd, voor grotere bezoekersaantallen.

Juist de middelgrote popzalen, ofwel het clubcircuit, spelen een belangrijke rol bij het bevorderen van nieuw talent. In het fijnmazige netwerk van zalen kunnen bands zich warm spelen; in het clubcircuit worden reputaties geboren.

Van die functie van het clubcircuit als zaailand was de Nederlandse politiek zich lange tijd bewust. Popmuziek is een sector waar subsidie niet wordt verstrekt aan de artiest, maar aan de podia; verliesgevende optredens van beginnende Nederlandse bands worden gecompenseerd met een (kleine) aanvullende subsidie. Zo spelen sommige bands bij de eerste tournee met verlies, maar bouwen in de loop van de tijd een naam op zodat bij de volgende ronde geen subsidie meer nodig is. Voor de aanwas van Nederlandse popmuziek is het van belang dat podia risico’s blijven nemen.

Nieuw gebouw

Jeroen Blijleve is programmeur van popzaal Patronaat, in Haarlem. Patronaat is een van de acht grotere podia in het land (met Paradiso, Tivoli, Melkweg, 013, Paard, Oosterpoort en Effenaar), en kreeg in 2005 een mooi nieuw gebouw met daarin drie zalen.

Vergeleken met een jaar geleden krijgt Patronaat nu 10 procent minder subsidie. Die bezuiniging wordt deels opgevangen door samenwerking met zalen in Haarlem, zegt Blijleve, zoals Toneelschuur en de Stadsschouwburg. „Dat scheelt jaarlijks 20.000 euro op gedeeld gebouwbeheer, en op basis van de gezamenlijke bierplas kregen we een aardige korting op de drank. Bovendien zijn de kleine zaal en het café nogmaals verbouwd, zodat de bar beter bereikbaar is. En er is een rookruimte gekomen in de zaal, om het publiek vast te houden.”

Patronaat draait nu quitte, maar heeft geen reserves. „Als zich een calamiteit voordoet, zijn we weg.” Die situatie zie je bij meer zalen, zegt Blijleve. „Met als gevolg dat veel podia voorzichtig programmeren. Dat betekent onder meer: minder optredens, want niets organiseren is vaak goedkoper dan wel iets organiseren. En steeds vaker wordt gekozen voor de grote namen, die meer publiek trekken.”

Volgens Berend Schans, directeur van de VNPF (Vereniging van Nederlandse Poppodia en Festivals) zijn er meer oorzaken dat zalen terughoudender zijn. Schans: „Dat de gages van de artiesten veel hoger zijn geworden, bijvoorbeeld. Maar ook dat een deel van het popcircuit niet past bij deze tijd. Eind jaren negentig en begin deze eeuw zijn overal in Nederland dure poppaleizen gebouwd. Mooi en groot, maar met enorme exploitatiekosten. Dan kost een avondje draaien veel geld, alleen al aan personeel en energie.”

Een beginnende band moet spelen, spelen, spelen, zegt Schans. „De overheid heeft ooit het clubcircuit helpen creëren om talent te ontwikkelen. Maar bedrijfseconomisch voldoet het circuit niet meer. Programmeer een risicoband en de continuïteit van je bedrijf is in gevaar. Nu de overheid zich terugtrekt zijn de prachtige popzalen te groot; een onbekend bandje trekt nu eenmaal niet meer dan honderd man. Programmeurs moeten inspelen op de veranderingen. Door samen te werken bijvoorbeeld, of door slimme oplossingen. Dat lukt bijvoorbeeld in Nijmegen. Daar had je het grote Doornroosje en het kleinere, ongesubsidieerde Merleyn, waar beginnende groepen speelden. Merleyn dreigde failliet te gaan en is toen overgenomen door Doornroosje. Doornroosje is zelf te groot voor kleine bands, maar programmeert deze nu in Merleyn.”

Vrijwilligers

Voor Patronaat is dat niet de juiste koers. „Beginnende bands zijn ons bestaansrecht”, zegt Blijleve. „Inmiddels bekende namen als Go Back To The Zoo en De Staat speelden bij ons ooit voor dertig man. We hebben wekelijks optredens van nieuwe namen, in het café, dat een capaciteit heeft van honderd man. De optredens zijn gratis toegankelijk, de zaal draait dankzij vrijwilligers en er hoeft niets te worden verdiend. Dat hebben we ervoor over. Want hoe kieskeuriger de programmeurs worden, hoe minder kans er is voor de beginnende band om zich te ontwikkelen en op te vallen.”

Minder subsidie is niet het enige probleem, zegt boeker Bas Flesseman van Belmont Bookings. Als zelfstandig boeker regelt Flesseman optredens voor een groot aantal buitenlandse bands en een paar Nederlandse groepen. Volgens Flesseman zijn Nederlandse bands en zalen lui geworden. „De afgelopen tien jaar is alles veranderd, in de muziek. Bands moeten nu leven van hun concerten en vragen hogere gages. En de fans zijn onvoorspelbaarder, je weet niet meer of ze naar je volgende concert komen. Veel bands zitten nog in het oude patroon: cd uitbrengen, tournee draaien. Ze waren gewend om altijd terecht te kunnen in het goed betalende clubcircuit. Diezelfde houding zie je bij de popzalen: ze doen te weinig hun best om publiek te trekken. Of er nu wel of niet iemand op af komt, dankzij de subsidie kunnen ze het gat toch wel vullen.”

Flesseman: „Als band en zaal moet je actief zijn. De programmeur van een zaal moet aan het publiek trekken, tot op de dag van het optreden reclame maken, proberen het publiek te prikkelen, via internet, op blogs en muzieksites. De muzikanten ondertussen moeten nadenken over hun aanpak: probeer bijzondere concerten te organiseren, op ongewone locaties. Wees selectief en treedt niet te vaak op – hou de aanhang hongerig.”

Hoge gages

Muzikant Geert van der Velde, voorman van Black Atlantic, noemt hoge gages een nadeel van het subsidiesysteem. „Het neemt de prikkel weg. Nederlandse bands gaan te weinig op avontuur in het buitenland, want ze hebben geen zin om voor 150 euro te spelen. Ik speel juist veel in het buitenland. In Duitsland kreeg ik eerst maar 50 euro per dag. Uiteindelijk heeft zich dat uitbetaald, nu kan ik daar voor hogere gages spelen.”

Internationaal neemt Nederland een uitzonderlijke positie in, zegt Van der Velde. „Nergens heb je zulke mooie zalen, met zulk goed geluid en nog goede betaling ook, als hier. Maar bij veel muzikanten ontbreekt de vechtlust die je bij Engelse en Amerikaanse bands ziet. Ik werk als coach voor beginnende bands in Friesland en Groningen, en hoor vaak zeggen ‘50 euro is me te weinig’. Die houding is het eerste wat ik eruit sla.”

„Ik ken genoeg bands die voor niks of weinig willen spelen, maar nu überhaupt niet aan de bak komen omdat iedereen op de rem trapt”, zegt Jeroen Blijleve. Hij vindt de situatie in het clubcircuit op dit moment „verontrustend”. „De bezuinigingen verschillen per gemeente en het duurt vaak even voordat de gevolgen zichtbaar zijn, maar de eerste barsten zijn ontstaan. Dat zie je bijvoorbeeld bij Mezz in Breda, P3, Purmerend, of Simplon in Groningen. Daar wordt steeds minder geprogrammeerd.”

Blijleve: „In het theater worden gezelschappen gesubsidieerd én de theaters, dat is dus dubbel.” Popzalen krijgen geen programmasubsidie, alleen exploitatiesubsidie. De zalen opereren min of meer commercieel. „Met nog meer bezuinigen straf je dat ondernemerschap dus eigenlijk af. Uiteindelijk is dat schadelijk voor het Nederlandse popklimaat. Want alternatieven zijn er nauwelijks. Door milieuwetgeving is het niet meer mogelijk om in bars en cafés te spelen. Kraakpanden, waar vroeger ook vaak poppodia waren, zijn grotendeels gesloten. Ik ben bang dat de sector doodbloedt.”