Achtergrond De ware survivalfilm eist verlatenheid en gevaar

De survivalfilm is populair. Het filmfestival van Rotterdam (IFFR), dat 22 januari begint, wijdt er een speciaal programma aan: How to Survive. En nog veel meer films draaien op dit moment om het pure, fysieke overleven onder helse omstandigheden.

Neem ruimteavontuur Gravity, of Captain Phillips, waarin Tom Hanks Somalische piraten overleeft. In de sprookjesachtige parabel Life of Pi belandt een schipbreukeling met een tijger, een zebra, een orang-oetan en een hyena in een reddingssloep, in The Impossible overleeft een Spaans gezin op wonderbaarlijke wijze de tsunami van 2004. Ook 12 Years a Slave is in zekere zin een survivalfilm, en deze week komt daar All is Lost bij, een uitgebeende overlevingsfilm over een oude man en de zee.

Avonturen op leven en dood vallen in de smaak bij mensen die zich veilig wanen ‘met pensioenen, bewakingscamera’s, kreukelzones en allriskverzekeringen’, aldus de catalogustekst van het IFFR. En veilig wanen wij ons al decennia, vandaar onze langdurige fascinatie met avonturiers die in levensgevaar komen.

Bergbeklimmers. Poolreizigers. Krokodillenworstelaars. Veel survivalfilms draaien om dit soort professionele overlevers, zoals Thor Heyerdahl, de Noor die in 1947 op een primitief vlot de Stille Oceaan overstak in Kon-Tiki.

Hoewel ‘survivallen’ inmiddels een werkwoord is voor onschuldig natuurvermaak waarin de padvinderij zich van oudsher bekwaamt, eist de ware survivalfilm hopeloze verlatenheid, extreme omstandigheden en serieus gevaar. Met eenzaamheid als een uitdaging op zich, zoals Tom Hanks die op zijn onbewoonde eiland in Cast Away (2000) tegen een volleybal praat.

In film helpt het gevaar depressieve, losgeslagen helden vaak aan mystieke inzichten en hernieuwde levenslust. Zo hervindt de suïcidale Liam Neeson zichzelf in het Hemingway-achtige The Grey (2011), waarin een roedel wolven jaagt op een vliegtuig neergestorte oliewerkers in Alaska. Wordt overleven een groepsproces, zoals in die film, dan gaat dat gepaard met hartverwarmende conclusies over menselijke solidariteit die tegenstellingen overbrugt. Wat zo’n groepsurvivalfilm zelden toont, is de deprimerende waarheid dat overleven vaak ten koste gaat van de medemens.

The Grey is een van die zeldzame, dappere survivalfilms waarin de held niet overleeft. Dergelijke anti-survival scharen we meestal onder horror. Want de survivalfilm is een sublimatie van de doodsstrijd, en dan is het stoïcijnse idee dat het draait om nobele kalmte bij het onvermijdelijke niet troostrijk genoeg. Veel opbeurender is de gedachte dat er met de dood best te marchanderen valt. Dat je kan knokken tegen kanker, strijden tegen elementen, overleven op je tandvlees. Dat hoop helpt en wilskracht de doorslag geeft.

In bijna elke survivalfilm komt dat ene moment: juist als de held wegzweeft in wanhoop, keert de levenskracht terug als een stoot elektriciteit. Die voelt Sandra Bullock in Gravity, waar zij als astronaut zuurstofgebrek, ruimtepuin en vooral haar eigen doodsdrift overwint. Overleven kent een morele dimensie: wanneer we de bodem raken, willen we dan echt leven? Ploeteren wij dan voort op gebroken botten zoals in Touching the Void (2003), zijn we dan bereid mensenvlees te eten, zoals in Alive (1993)?

Overleven is een keuze: de survivalfilm leert ons dat wilskracht het medicijn tegen de dood is. Een wensdroom helaas; ooit zal de realiteit ons teleurstellen.