Column

Zo’n dag dat zelfs de kat op je iPad zit

Fijn, natuurlijk, dat alle drie de dochters er waren tijdens de feestdagen. En heus, er is Carcassonne gespeeld, de oudste bakte zoals altijd zelf de oliebollen en het gezelschap brak zich traditioneel het hoofd over de Dr. Denker van het Dagblad van het Noorden.

Maar op een gegeven moment valt het even stil en verzinkt ieder zich in zijn eigen bezigheden. En dan ga je toch eens tellen: één iMac, twee MacBooks, een Macbook Pro. Twee iPads, één iPad mini. Twee iPhones en een Samsung Galaxy.

Wellicht komt het bekend voor in een huishouden met pubers en adolescenten – en de niet meer zo adolescenten deden er van tijd tot tijd even hard aan mee. Zelfs de kater verloor zich aan een rondrennende muis op een iPad, een activiteit die hij slechts onderbrak door af en toe een wantrouwend bezitterige blik op zijn omgeving te werpen.

Het zal een onbewuste associatie zijn geweest, maar toen afgelopen vrijdag de voorlopige cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek binnenkwamen over de inflatie in 2013, schoot bij de eerste blik op de gegevens de herinnering aan het Oudjaarstafereel meteen het bewustzijn binnen. Het zou toch niet..?

De huidige prijsindex is gebaseerd op 2006=100, zodat in één oogopslag kan worden vastgesteld hoeveel goederen en diensten er sinds dat jaar tot en met vorig jaar in prijs zijn veranderd. Wie andere basisjaren wil, bereikt dat met het online programma statline en een spreadsheet. Maar het toeval wil dat 2006 het laatste jaar was van een wereld zonder smartphone – en alles wat daarna kwam. Steve Jobs presenteerde de iPhone op 7 januari 2007.

De cijfers spreken boekdelen. Alles wat je op de bank houdt, is goedkoper geworden. Telefoon- en internetdiensten: 6 procent in prijs gedaald. Informatiedragers: -12 procent. Telefoons, tegenwoordig vrijwel louter smartphones: -38 procent, computerapparatuur: -50 procent. Spelletjes (steeds vaker software) -7 procent. Televisietoestellen en toebehoren: -61 procent. Zelfs de meubels waarop het passieve leven wordt geleid lopen 8 procent achter op de stijging van het algemene prijspeil.

Dan zul je zeggen: ga er eens uit, ontdek de wereld buiten! O, ja? Trek dan meteen de portemonnee. Op de fiets (17 procent duurder) naar de bioscoop (36 procent duurder), het museum (plus 34 procent) of – vooruit – het stadion (22 procent). Iets luier, op de scooter, wordt ironisch genoeg al wat goedkoper (15 procent duurder). Maar om dat gebrek aan sportiviteit in te halen moet je naar de sportvereniging (21 procent meer contributie), neem je muziek- dans- of sportles (26 procent). Dat drink je er dan buitenshuis weer aan in een café (26 procent duurder) of je eet het eraan in een restaurant (19 procent) na je bezoek aan de ontspanningsvereniging (15 procent). Het zal toeval zijn, maar zelfs spullen voor outdoorrecreatie werden 10 procent duurder dan voor indoorrecreatie.

Er is, kortom, een overdonderende prijsprikkel om thuis op de bank naar een scherm te staren. Waarom? Er is het feit dat goederen structureel in prijs achterblijven bij diensten – de wet van Baumol. Diensten via internet ontworstelen zich door een immens schaalvoordeel en een lange staart. En een succesvolle, competitieve markt zal in steeds lagere prijzen resulteren. De worstelende oude bronnen van vermaak zullen de prijzen moeten verhogen.

Maar hoe dan ook, het feit blijft: thuisblijven wordt steeds goedkoper, eropuit duurder. En zo te zien staan we nog maar aan het begin.