Ze staat naast de minister, ze is zijn hoogste ambtenaar

Deze week zijn de Nederlandse ambassadeurs in Nederland // De hoogste ambtenaar op Buitenlandse Zaken vertelt over het leven als diplomaat // „Het is voor de partner en kinderen vaak het moeilijkst

Ministers Frans Timmermans (Buitenlandse Zaken) en Lilianne Ploumen (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) met de Nederlandse ambassadeurs op hun jaarlijkse terugkomdag. Links naast Timmermans staat Renée Jones-Bos, de hoogste ambtenaar op Buitenlandse Zaken. Foto David van Dam

Ze is misschien wel de invloedrijkste vrouw van Nederland, maar we kennen haar niet of nauwelijks. Ze zit niet aan tafel bij Matthijs van Nieuwkerk, geeft geen quotjes voor de radio, staat zelden met haar naam in de krant.

Ja, bij de inhuldiging van Willem-Alexander stond even in beeld dat ze belangrijk is. Ze was wapenheraut met onze meest vooraanstaande wetenschapper Robbert Dijkgraaf en een van de succesvolste sporter Anky van Grunsven – voorbeeld-Nederlanders. Opzij riep haar in 2012 uit tot invloedrijkste vrouw van Nederland.

Maar verder hoor je de naam Renée Jones-Bos nauwelijks. Logisch, zegt ze zelf. „Ik ben natuurlijk gewoon ambtenaar, geen politicus. En een ambtenaar werkt in principe achter de schermen en in dienst van de politiek.”

Jones (61) is de hoogste ambtenaar bij Buitenlandse Zaken, verantwoordelijk voor de 2.500 medewerkers van het ministerie. Ze had minister Jones kunnen zijn, maar dat wilde ze niet. In 2003 stond ze op het lijstje voor minister van Vreemdelingenzaken. Maar ze ging wat anders doen.

Ze werd mensenrechtenambassadeur, als eerste vrouw.

Ze ging als ambassadeur naar Washington, als eerste vrouw.

En sinds anderhalf jaar is ze secretaris-generaal bij Buitenlandse Zaken. Inderdaad, als eerste vrouw.

Het is de kroon op een lange diplomatieke carrière. Die ging van Moskou, via Bangladesh, Paramaribo en Washington, naar Praag, Den Haag, nog een keer naar Washington, en uiteindelijk naar waar ze nu zit: op haar werkkamer in Den Haag met een kopje thee op de ovale vergadertafel en een glimlach op haar slanke gezicht.

Hoe ziet uw dag als secretaris-generaal eruit? U wordt wakker en dan?

„Ik zet meteen mijn iPhone aan om naar mijn e-mail te kijken. Moet ik direct wat afhandelen of kan ik eerst een kopje thee gaan zetten? Dan ontbijt ik en loop of fiets ik naar kantoor.”

Vanaf het moment dat Jones wakker is, houdt ze niet meer op met werken tot ze naar bed gaat. Het interview is op donderdag om kwart over vier. Wat ze eerder die dag deed: overleg met de bestuursraad van Buitenlandse Zaken. Wat speelt er? Wat moet er gedaan worden? Dan een overleg waar ze niet in detail op in wil gaan. („Je doet soms ook dingen die vertrouwelijk zijn.”) Een voorbereidingssessie voor de Nuclear Security Summit die eind maart in Den Haag plaatsvindt. In welk hotel moet Obama slapen? Wat moet er in de slotverklaring staan? Overleg over benoemingen van ambassadeurs. Wie gaat naar welke post? Bezoek aan de ING om een bedrijvendag voor te bereiden. En ondertussen nadenken over wat ze ziet als haar grote opdracht: het Nederlandse corps diplomatique moderniseren.

Wat is er mis met de traditionele diplomatie?

„Het wezen van de diplomatie is altijd geweest dat je opkomt voor de belangen van Nederland en Nederlanders in het buitenland, dat is nog steeds zo. Maar we zitten in het digitale tijdperk, dat verandert ontzettend veel. We moeten ons aanpassen aan de tijd. Wie wist er vroeger wat er zich in het buitenland afspeelt? Een heleboel mensen niet. Nu volgt iedereen wat er in het buitenland gebeurt.”

En er staat een flinke bezuinigingsopdracht in het regeerakkoord.

„Ja, dat is moeilijk. Het is natuurlijk altijd lastig om met minder geld dezelfde dingen te doen. En er is al veel bezuinigd de laatste jaren. Dus je ziet langzaam maar zeker dat het bot wel heel erg dichtbij komt. We hebben meer dan zeventig ambassades waar maar één of twee uitgezonden Nederlanders zitten. Dat is al heel klein.”

Waar kan het minder?

„Als we ergens verminderen is het in Europa. Omdat je daar wel aanwezig moet zijn, maar misschien wat kleiner en flexibeler. Je moet creatief zijn. We hebben met de Belgen en de Denen samenlevingscontracten gesloten. Als je de ambassade in Vilnius binnenloopt, dan hangt er links een foto van de koningin van Denemarken, rechts een foto van de koning van Nederland. Je deelt de receptioniste en de kosten voor kantoor. Zo kun je geld besparen maar toch aanwezig blijven.”

We maken het onze ambassadeurs niet makkelijk. Ons land lacht Chinezen uit op televisie, wil Zwarte Piet niet bespreken en voert periodieke tirades tegen de Europese Unie. Wat doet u eraan om te voorkomen dat het aanzien van Nederland in het buitenland afneemt?

„Kijk, het is onze rol om een goed en realistisch beeld neer te zetten van wat Nederland is, wat Nederland kan en waar Nederland mee bezig is. Dat is niet een rooskleurig beeld schetsen en net doen of er helemaal geen discussie is. We moeten uitleggen waaróm die discussies plaatsvinden. Die zijn er natuurlijk altijd. Het gaat erom hoe je ermee omgaat en om de openheid waarmee je ze bespreekt. Dat wil je in het buitenland laten zien.”

Maar goed voor ons aanzien zijn die debatten niet.

„Dat ben ik niet met je eens. Je ziet in veel Europese landen dat er een debat is over migratie, over Europa, over globalisering. Dat is niet alleen iets waar we in Nederland mee worstelen.”

Jones is al wereldburger als ze eind jaren zeventig voor de diplomatie kiest. Ze studeert Italiaans in Italië. Russisch, politicologie, economie en Engels in Antwerpen. En nog meer Russisch in Groot-Brittannië. Jones spreekt zes talen als ze op haar 26ste op de ambassade in Moskou begint. Als ze na tien jaar in Moskou, Dhaka, Paramaribo en Washington terugkomt in Den Haag, wordt ze hoofd werving en training van diplomaten. Een baan waar ze met veel plezier over praat.

„Ik wilde altijd mensen hebben die gedreven zijn door de inhoud van het werk, die het echt leuk vinden.” Hoe vind je die? „Je kijkt of ze flexibel zijn. Dat moet, want je wisselt iedere paar jaar van standplaats. Sommige mensen vinden dat leuk, anderen worden daar heel onrustig van. Als er opeens iemand nodig is in Zuid-Soedan, dan moet je je heel snel in de materie kunnen inwerken om meteen operationeel te kunnen zijn. Je kunt niet zeggen: ik ga me rustig inlezen. En je moet je kunnen verplaatsen in andere culturen om te begrijpen waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Je moet een zekere nieuwsgierigheid hebben.” Ze benadrukt dat een baan als diplomaat veel van mensen vergt. „Het is van hot naar her iedere paar jaar. En het is niet altijd Londen en Parijs, maar het is ook Sana’a en Kabul waar je in levensgevaarlijke omstandigheden werkt. We vragen best veel van mensen.”

Vroeg uw baan als diplomaat ook veel van u?

„Het is voor de partner en de kinderen vaak het moeilijkst. Als ambtenaar ligt je inbox in een nieuwe plaats al vol en kun je meteen aan de slag. De partner moet zich iedere keer weer aanpassen. Steeds maar weer iets zien te vinden, zijn of haar plek vinden. Dat legt best een zware claim op de partner en de kinderen. En ja, sommige kinderen vinden het makkelijk om van school te veranderen, anderen vinden dat heel moeilijk.”

Hoe ging dat in uw gezin?

„Ik heb een heel flexibele echtgenoot. Hij is Brit en heeft altijd in en rond het hoger onderwijs gewerkt. Hij heeft eigenlijk altijd wel werk kunnen vinden. Er lag geen pad voor hem klaar. Buitenlandse Zaken heeft geen loopbaan voor de partner. Hij moest zelf heel creatief zijn en er echt op uitgaan. En ja, hij is daar goed in geslaagd. De ene keer is dat makkelijker dan de andere keer.”

En de kinderen?

„De kinderen hebben er denk ik ook geen last van gehad.” Lachend: „Althans dat hebben ze mij tot nu toe niet verteld. Er zitten leuke dingen bij en er zitten minder leuke dingen bij. Het is leuk om te reizen en dingen te zien in andere landen. En je zit op een Engelse of Amerikaanse school. Dus je leert talen. Maar je moet ook steeds opnieuw vrienden en vriendinnetjes maken. En dat is niet altijd leuk. Dat lukt de ene keer beter dan de andere. Ze hebben vorig jaar allebei hun masters gehaald en werken nu in Nederland. Daar ben ik heel trots op.”

Maakt het in dit vak uit om een vrouw te zijn?

„Ik weet niet beter natuurlijk, hè? Ik kan het niet vergelijken. Het is wel zo dat er nog steeds minder vrouwelijke ambassadeurs zijn dan mannelijke ambassadeurs. We moeten naar een situatie toe waar je mensen op hun capaciteiten benoemt. Waarin je een diverse organisatie hebt. Daar zijn we nog niet, maar daar werken we wel naartoe.”

Maar ze ziet ook voordelen voor vrouwen: „Je valt als vrouw eerder op. En vrouwen zijn heel goeie diplomaten. Kijk naar Sigrid Kaag, die voor de OPCW en de VN het team leidt dat chemische wapens uit Syrië verwijdert.”

Kreeg u deze vraag ook in Amerika?

„Minder”, zegt ze na even te hebben nagedacht.

In Paramaribo en Washington werkte u door tot één dag voor de bevalling van uw kinderen. Dat is daar normaler dan hier. Zijn wij dan in Nederland soft op dit vlak?

„Ieder land heeft zijn eigen cultuur. Nederland heeft meer een cultuur van deeltijdwerk. Dat heeft ook wel voordelen, want een groot percentage vrouwen werkt. Het heeft misschien ook te maken met de kosten van kinderopvang. Die zijn in Nederland best hoog. En het is zo dat in Amerika veel vrouwen werken omdat het gewoon financieel noodzakelijk is. Dan is het ook niet zozeer een kwestie van een keuze. Plus, in Suriname waren heel veel vrouwen de backbone van het gezin.

Hoe combineerde u werken en kinderen?

„We hadden een oppas. En de kinderen zijn heel jong al naar de naschoolse opvang gegaan. Je moet goede afspraken maken met je partner. Een van de twee moet op tijd thuis zijn om de kinderen op te halen. Dat probeerden we eigenlijk altijd wel te doen. Dan samen eten. En daarna kan je altijd weer door met het werk.”

Hoe houdt u uw drukke leven vol? Sport u?

„Nee, dat is nou iets wat ik veel meer zou willen doen. Dat is ieder jaar weer mijn nieuwjaarsvoornemen. Maar als je werk doet dat je leuk vindt, en je hebt een gezin dat daarin ondersteunt en leuke collega’s, dan geeft dat heel veel energie.”

Wat zou u jonge vrouwen adviseren die aan hun loopbaan beginnen?

„Wat je doet moet je goed doen, maar af en toe mag je ook relaxen. Ik denk dat vrouwen heel erg de neiging hebben om, als ze iets doen, het heel goed willen doen. Ze zijn perfectionistisch. En dat is goed. Maar soms mag je het ook een beetje loslaten. Het is natuurlijk niet makkelijk nu. De arbeidsmarkt is moeilijk. Ik zou zeggen: begin gewoon ergens, en heb niet meteen al te hoge verwachtingen. Je wordt niet meteen managing director of CEO. Ik ben ook niet direct bij Buitenlandse Zaken terechtgekomen. Mijn dochter stuurde me een leuk artikeltje over Generation Y. Zijn jullie dat? Een generatie die in overvloed is opgegroeid, het altijd goed heeft gehad, altijd te horen kreeg: je doet het fantastisch, je kunt doen wat je wilt, je hebt je eigen keuzes. En nu eigenlijk een beetje geconfronteerd wordt met de realiteit van een veranderende arbeidsmarkt. Weet je, je moet ook realistisch zijn.”