‘Wie het vak in Duitsland leert, kan daarna alles aan’

De Nederlandse dirigent Antony Hermus (40) maakt dit jaar zijn grote doorbraak in eigen land.

Als je goed kijkt, kun je het je nog voorstellen. Dirigent Antony Hermus (40) - goedlachs, nuchter, spontaan - studeerde ooit óók bestuurlijke informatiekunde in Tilburg. Zijn ouders, Brabanders, geloofden niet in een toekomst in de muziek. Het werd een degelijke, brede universitaire studie, gecombineerd met piano en directie aan het Brabants Conservatorium.

„Ik heb er nooit spijt van gehad”, zegt hij. „Die studie was een mix van wiskunde, economie en management, dus ik begrijp cijfers. Het is voorgekomen dat de financieel directeur van een operahuis me iets probeerde voor te spiegelen wat niet klopte. Dat bleef bij een eenmalige poging.”

Antony Hermus was tot voor kort in eigen land nog betrekkelijk onbekend – behalve voor de frequente bezoeker van de operahuizen in de Duitse provinciesteden Hagen en Dessau en voor musicofielen die naarstig speurden naar cd’s met werk van de Duitse romanticus August Klughardt.

Maar afgelopen jaar veranderde dat. Hermus leidde op fenomenale wijze het Noord Nederlands Orkest in Wagners Tristan und Isolde en zette daarmee in één klap de door 60 procent subsidiekorting getroffen Nationale Reisopera weer op de kaart. Opeens snapten we hier ook waarom het Duitse tijdschrift Opernwelt hem al drie maal nomineerde als ‘Dirigent van het Jaar’. Dit jaar wordt zijn thuisopmars geconsolideerd met debuten bij het Koninklijk Concertgebouworkest en de Philharmonie Zuidnederland en concerten bij het Radio Filharmonisch, Nederlands Philharmonisch, Noord Nederlands en Nederlands Symfonie Orkest. Ook met de Reisopera zijn vervolgafspraken gemaakt. „Ik heb nog nooit zo veel in Nederland gedirigeerd als dit jaar.”

Deze week is Hermus in Nederland (hij heeft een woning in Amsterdam) voor vier voorstellingen van Mozarts Così fan tutte door de Dutch National Opera Academy (DNOA), de masteropleiding van de conservatoria van Den Haag en Amsterdam. „Ik reserveer altijd een paar weken voor talentbegeleiding. Bij jong talent is het enthousiasme dat in essentie alle musici drijft nog van een heel pure intensiteit. Dat ik die studenten graag help zich verder te ontwikkelen is daarom niet alleen maar idealisme. Het zijn ook voor mij vaak de leukste weken van het jaar.”

De voorstellingen van Così fan tutte (regie: Lotte de Beer) worden begeleid door het Residentie Orkest, dat op zoek is naar een nieuwe chef-dirigent. In de wandelgangen hoor je Hermus’ naam wel eens zoemen. Hij lacht er bulderend om. „Ja zeg, wat moet ik daar nou op zeggen? Een carrièreplanner ben ik in elk geval niet. Even filosofisch: wat is een carrière überhaupt? Het gaat erom dat je je werk leuk vindt en dat je werkt met goede mensen. Natuurlijk ben ik in de grond zeer ambitieus en wil ik doorgroeien naar een groter operahuis en werken met belangrijke orkesten. Maar het is zinloos daar krampachtig naar te streven. Je verovert of je wordt veroverd. Of niet. Is dat cryptisch genoeg?”

Vooralsnog is Hermus Generalmusikdirektor (GMD) bij het Anhaltisches Theater in Dessau. Onder zijn leiding stegen de bezoekcijfers met veertig procent, ook al zijn vergrijzing („De Duitsers spreken van Friedhofsblond”), teruglopende bezoekcijfers en subsidiekrimp ook daar actueel.

„Maar je kunt er veel tegen doen”, zegt Hermus. „De sleutel ligt in de betrokkenheid van het publiek. Voor mijn welkomstconcert als chef heb ik het Te Deum van Dvorak gedirigeerd met alle koren van de stad, die allemaal hun familie naar het theater trokken. Het resultaat had geen cd-kwaliteit, maar er werd door iedereen met overgave muziek gemaakt. Geef mij dan maar een paar foute noten – dat is me vele malen liever dan levenloze perfectie. Het is misschien een beetje pathetisch, maar ik heb een slogan: ik rust niet voordat er iemand met natte ogen de nacht ingaat.”

Het aantal projecten dat Hermus daartoe initieerde is indrukwekkend. Een kort concertje door alle (amateur-)altviolisten van de stad die maar mee wilden doen. ‘Philharmini’-speelse, theatrale concertinleidingen voor kinderen die daarna de eerste helft van het concert bijwonen („Gewoon serieus nemen, die hap”) . En gratis kaartjes voor wie zijn verjaardag deelde met de geboorte van Strauss’ opera Der Rosenkavalier, met foto in de regiokrant toe.

„Men moet het gevoel hebben: het orkest, daar wil ik bij zijn, bij horen. Toen ik het NJO Symfonie Orkest op Lowlands dirigeerde, leefde ook dat jonge poppubliek enorm mee met Prokofjev. Iedereen houdt van klassieke muziek. Alleen niet iedereen weet het al.”

Zijn contract in Dessau – opera, concerten, educatie – omvat een ouderwets fors aantal van twintig weken per seizoen, „gewoon nodig als je meer wilt doen dan alleen de maat slaan”. Opvallend is de veelomvattendheid van de programmering. Fundamentele gaten in zijn repertoire zijn er niet meer, bevestigt hij. „Alleen barok – dat kunnen anderen beter dan ik.”

Dirigeren is eerst en vooral een praktijkvak, onderstreept hij. „Zowel van mijn Nederlandse mentor Jac van Steen als van mijn mentor in Hagen, de vorige chefdirigent Georg Fritzsch, heb ik ontzettend veel geleerd. Hoe mag je een orkest nooit toespreken? (Kritisch op een al te directe, respectloze manier.) Hoe help je een zanger effectief door een moeilijke passage? (Trek tijdig zijn aandacht en houd die vast.)

„Ik werk hier in Den Haag met een dubbele cast. Alleen de rol van Don Alfonso is enkel bezet, dus die jongen werkt keihard. Dat doet denken aan hoe je het vak leert in Duitsland. Bomvolle dagen, de ene na de andere voorstelling. Dan kun je zeggen: daar klopt niks van! En daar heb je dan groot gelijk in. Maar als je het overleeft, kun je daarna alles aan.”