Veel kennis, weinig durf

Nederland loopt achter bij ‘vergroening’ van zijn economie. Die leunt sterk op sectoren die veel energie en materiaal gebruiken. „Onze oude economie zit onze nieuwe economie in de weg.”

We zijn nog lang niet groen genoeg. „Ik ben geschokt hoezeer de lange termijn buiten ons blikveld blijft”, zegt directeur Maarten Hajer van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

Bijvoorbeeld. We discussiëren rustig over de cultuurhistorische waarde van de grachtengordel in Amsterdam, maar we vragen ons niet af wat een zeespiegelstijging voor de grachtengordel betekent. Hajer: „Het ontbreekt ons niet aan kennis, wel aan gevoel van urgentie dat we een nieuwe normaliteit moeten organiseren.”

De deskundigen zijn het eens: we weten in Nederland allang dat we onze economie drastisch zullen moeten vergroenen om de klappen op te vangen die over pakweg vijftig jaar zullen vallen als de grondstoffen opraken, althans duurder en moeilijker te krijgen zijn, en als het klimaat verder is veranderd. Maar we doen te weinig.

Marko Hekkert, hoogleraar duurzame innovatie aan de Universiteit Utrecht: „Er zijn kleine bedrijven die het anders willen doen. Ook grote bedrijven zien wel in dat er stappen moeten worden gezet. Maar het roer is nog steeds niet om. Nog steeds loop je door de supermarkt en zie je dat de productie nog lang niet duurzaam is.”

Gasland

Nederland loopt achter bij groene innovatie, signaleert het Planbureau voor de Leefomgeving. „De Nederlandse economie en vooral onze export leunen sterk op sectoren die veel energie en materialen gebruiken. Dat maakt ons kwetsbaar als grondstofprijzen stijgen of de beschikbaarheid onzeker wordt”, aldus het onlangs verschenen rapport Vergroenen en verdienen.

Onderzoeker Ton Manders: „We zijn een gasland. Het is dus niet vreemd dat we intensief gebruik maken van fossiele energie. Maar efficiënt is het niet. Kunnen sectoren die op gas draaien het hoofd boven water houden als de emissies van broeikasgassen drastisch dalen?”

Vergroenen is bittere noodzaak, vindt directeur Marga Hoek van de Groene Zaak, een organisatie van honderdzeventig duurzame ondernemingen. „We hebben in Nederland veel geld verdiend met fossiele energie, maar het is niet de toekomst. Onze oude economie zit onze nieuwe economie in de weg.”

Huishoudelijk afval recyclen doen we goed en ook de belastingen zijn behoorlijk groen. Maar als het gaat om duurzame energie bungelt Nederland onderaan de Europese lijstjes. En hoe nijverig bedrijven ook doen, groen zijn hun innovaties vaak niet.

Troeven

Concurrerende buurlanden, met name Duitsland en Denemarken, zijn verder „door ambitieuze, langjarige doelstellingen en forse investeringen in kennis”, aldus het PBL-rapport. Nederland moet doen wat deze landen al langer doen: investeren in zijn sterke kanten. Duitsland steekt al jaren veel geld in hernieuwbare energie en Denemarken maakt veel werk van innovatie in het midden- en kleinbedrijf.

Kansen zijn er volop. „Nederland heeft alle assets om een grote speler te worden in een groene, innovatieve economie”, zegt Hoek van de Groene Zaak. „We hebben veel en goed toegankelijke kennis. Er is handelsgeest. Innovatiekracht. Steden zijn belangrijk voor innovatie en wij hebben een goede stedenstructuur. We hebben bovendien een economie van dienstbaarheid. Maar dan moeten we ook echt willen.”

Nederland heeft volgens het Planbureau „troeven in handen” op het gebied van biobased economy, dat wil zeggen de productie op basis van hernieuwbare grondstoffen uit de natuur, zoals ethanol uit suikerbieten of aardappelzetmeel voor plastic. „We hebben een sterke kennis- en concurrentiepositie op het gebied van biotechnologie, voedselchemie, agrofood en chemie.” Ook valt winst te halen in de circulaire economie, waarin afval niet bestaat en grondstoffen opnieuw worden gebruikt. Zoals bij de productie van papier, tapijten en staal.

In de bouw is nog een lange weg te gaan. „Vooralsnog is de Nederlandse bouwsector nog weinig innovatief en weinig internationaal actief”, aldus het rapport. Dat kan anders, vindt directeur Marjan Minnesma van Urgenda, de „actieorganisatie” die Nederland sneller duurzaam wil maken.

Minnesma: „Als je bij de sloop van een gebouw materialen ter plaatse scheidt, kun je die elders opnieuw gebruiken.” Niet meer dan logisch, „want over veertig jaar zijn de gemakkelijk winbare grondstoffen op”.

Urgenda maakt dit jaar een begin met verbouwing van duizend woningen in Noord-Holland tot energieneutrale woningen. Minnesma roept pensioenfondsen op geld te steken in het energieneutraal maken van 250.000 woningen per jaar. „Dat kost 35.000 euro per huis. Dat geld krijgen ze over vijftien jaar terug met een aardig rendement. Daarna betalen de bewoners geen energierekening meer.”

Nederland kan maar beter snel meedoen met de transitie naar een groene economie, want die zal er hoe dan ook komen, denkt hoogleraar Hekkert. „Bedrijven worden steeds angstiger voor hun imago. Dat zie je aan de productie van angorawol na een filmpje. Ze willen de productie in de hele keten maar al te graag verduurzamen.”

Maar vaak gaat het moeizaam. Als voorbeeld noemt Hekkert de frisdrankindustrie. Die lijdt volgens hem aan behoudzucht. „Er zijn intelligentere manieren om frisdrank te leveren dan water te mengen met siroop, in heel veel flessen te stoppen en die te transporteren. Waarom stoppen we die siroop niet in pillen en doen we er thuis water en koolzuur bij?”

Jojobeleid

Het politieke beleid voor vergroening is in Nederland op z’n minst wispelturig te noemen. „Het is jojobeleid geweest”, zei Willem Vermeend, zelf oud-minister, onlangs op een symposium over dit thema. Vermeend is niet zo somber. „Er gebeurt van alles in verschillende regio’s. Heel bijzonder eigenlijk met vijf verschillende kabinetten in tien jaar tijd.”

Ondernemers, wetenschappers en strijders voor vergroening zeggen een „stip aan de horizon” gezet door het kabinet te missen. „Ik mis een visie”, zegt hoogleraar Hekkert. „Men heeft het alleen maar over economische groei en werkgelegenheid op korte termijn en dat het wel fijn zou zijn als het allemaal wat duurzamer wordt. Over kwaliteit van leven en inpassing in het milieu lees ik zelden iets.”

Hoek van De Groene Zaak gaat een stapje verder. „We hebben ooit regeringen bedacht om voor ons de lange termijn uit te zetten. Maar dat doen ze helemaal niet meer. Voor de lange termijn moet je nu bij bedrijven zijn. De rollen zijn omgedraaid.”

Een stimulerend overheidsbeleid doet er wel degelijk toe, zegt onderzoeker Manders. Dat bewijst het verleden. „Na de watersnoodramp van 1953 hebben we heel veel geld gestopt in kennis en bouw van waterwerken. Die investeringen hebben zich in de loop der jaren allemaal terugbetaald.”

Er zijn lichtpuntjes. Zo zijn, bijvoorbeeld, de loonkosten voor werknemers in laboratoria voor onderzoek en ontwikkeling in Nederland aftrekbaar voor de belastingen voor bedrijven. Maar als beginnend bedrijfje met een goed idee is het erg lastig om steun te krijgen. Het innovatiebeleid van de overheid, zo is de gangbare opinie, is te veel gericht op het stimuleren van gevestigde belangen, op technieken die zich hebben bewezen.

„Het topsectorenbeleid, dat zich richt op sectoren die belangrijk zijn voor de concurrentiepositie van Nederland, is niet groen. Het is gericht op de gevestigde orde”, zegt Manders. Er moet steun komen voor nieuwkomers, voor bedrijfjes die grotere bedrijven uitdagen, tegen de schenen schoppen met gedurfde ideeën. Ook zullen er, liefst in Europees verband, regels moeten veranderen.

Manders: „Je mag in Europa niet met afval over de grenzen slepen. Maar als afval nu weer een grondstof wordt? Als bijvoorbeeld een bedrijf als Caterpillar gebruikte graafmachines helemaal wil retrofitten [uit elkaar halen en geschikte onderdelen opnieuw gebruiken, red.]? Dan zul je die machines toch eerst moeten verzamelen. Dat is nu heel lastig.”

    • Arjen Schreuder