Column

Simone Hier woont geen mens uit vrije wil

De overbuurvrouw wast haar ramen. Het is de eerste keer dat ik haar zie. Ze heeft een groot postuur en kluitige handen waarmee je veel buiten hoort te zijn, maar ze zit vast tussen sociale huurmuren, bakstenen, roze van kleur. Opzettelijk lelijk zodat wij, de vrije sector aan de overkant, niet jaloers worden. Ik had haar een beter uitzicht voor mezelf gegund.

Ze maakt zichzelf een meter langer met het huishoudtrapje, hoger is niet nodig want ze woont op de begane grond. Ze zet de trekker op het raam, ze zit achter de striemen aan die haar wisser achterlaat. Ramen lappen is wat mij betreft een onmogelijke taak, omdat er altijd een ribbeltje water achterblijft. Je kunt het vuil wel wegduwen, maar het verzamelt zich elders toch weer.

Ze neemt het trapje ingeklapt onder de oksel en gaat naar binnen voor de andere kant van het glas. Voor een keer gaat de vitrage opzij. In de kamer staan een megafauteuil en een megatelevisie. Op het bosje bloemen dat in de vensterbank staat druipt waswater, maar het geeft niet: ze zijn nep.

Op www.omaweetraad.nl lees ik dat je, voor streeploos zemen, een ui in het water moet doen. Ik weet niet of je dan huilend de ramen wast, maar het lijkt me een tip waarmee je kunt aankomen voor een eerste kennismaking. Een ui om het ijs te breken. Ik haal er een uit de keuken en ga naar beneden en steek de straat over. Ik durf niet op haar pas gewassen raam te kloppen en loop door naar de voordeur. Het portiek is niet alleen roze, maar ook mintgroen en pastelgeel, alsof de gemeente er werkelijk alles aan heeft gedaan om er geen misverstand over te laten bestaan: hier woont geen mens uit vrije wil. Naast de deur zit een rij bellen met veelal doorgekraste namen. Ik zoek een Nederlandse naam, want zo ziet ze eruit: Hollands, Fries misschien.

Wanneer ik opkijk, zie ik mijn eigen huis: het onlangs gerenoveerde herenpand, nadrukkelijk sierlijke gevels en kozijnen, witte muren en hoge ramen. In de vensters beneden staan bloeiende planten en achter mijn raam licht de appel van mijn laptop op. Dit is dus haar uitzicht.

Misschien heeft ze haar vitrage niet dicht om gluurders tegen te gaan – misschien zal het haar worst wezen of we haar fauteuil en televisie bekijken. Misschien heeft ze gewoon geen zin om ons te zien, de smetteloze kant van de straat.

Ik loop terug, weer langs haar raam en met de ui nog in mijn hand. Ze kijkt op en ik probeer terug te kijken alsof ik haar betrap en niet andersom.