Het eeuwige leven is een kwestie van pure wilskracht

Geïnspireerd door de vele survivalfilms van de afgelopen tijd, zoals deze week ‘All is Lost’, besteedt het IFFR onder de noemer ‘How to Survive’ aandacht aan het genre.

Aron Ralston, die heeft zeker wat gevraagd wordt. Toen deze bergklimmer in april 2003 vast kwam te zitten in een canyon in Utah, de arm verbrijzeld onder een rots, vond hij na 127 uur pijn, honger en dorst in zijn delirium de kracht zijn eigen arm te amputeren met een bot Chinees zakmes. Sindsdien geeft hij voor tienduizenden dollars per optreden motivatiespeeches: voor altijd de man die zijn eigen arm afhakt.

Werd hij daar niet moe van, vroeg ik hem in 2011, toen regisseur Danny Boyle zijn beproeving zeer bekwaam had verfilmd in 127 Hours? Welnee, Ralston vond zijn verhaal nuttig voor zijn luisteraars. De moderne mens probeert de dood namelijk uit het leven te bannen, legde hij uit: we ervaren het als onrecht als hij ons alsnog overvalt. Maar eigenlijk weten we wel beter: de dood zit in onze genen. Dus hongeren we naar existentiële worstelingen. „Het fascineert ons mateloos: wat zou ik doen in die situatie?”, zei Ralston. „Daarom krijgen we nooit genoeg van beknelde mijnwerkers of gewonde bergbeklimmers.”

Dat verklaart wellicht ook de populariteit van de survivalfilm, waaraan het filmfestival van Rotterdam een programma wijdt – How to Survive – dat evenwel ‘overleven’ zo breed trekt dat het wat betekenisloos wordt. Maar veel films draaien op dit moment inderdaad om het pure, fysieke overleven onder helse omstandigheden. Neem ruimteavontuur Gravity of Captain Phillips, waarin Tom Hanks Somalische piraten overleeft. In de sprookjesachtige parabel Life of Pi belandt een schipbreukeling met een tijger, een zebra, een orang oetan en een hyena in een reddingssloep, in The Impossible overleeft een Spaans gezin op wonderbaarlijke wijze de tsunami van 2004. Ook 12 Years a Slave is in zekere zin een survivalfilm, en deze week komt daar All is Lost bij, een uitgebeende survivalfilm over een oude man en de zee.

Avonturen op leven en dood vallen in de smaak bij mensen die zich veilig wanen „met pensioenen, bewakingscamera’s, kreukelzones en allriskverzekeringen”, aldus de catalogustekst van het IFFR. En veilig wanen wij ons al decennia, vandaar onze langdurige fascinatie met avonturiers die, in de woorden van Aron Ralston, „zich niet zozeer afvragen of ze in levensgevaar komen, maar wanneer ze in levensgevaar komen”. Bergbeklimmers. Poolreizigers. Krokodillenworstelaars. Veel survivalfilms draaien om dit soort professionele overlevers, zoals Thor Heyerdahl, de Noor die in 1947 op een primitief vlot de Stille Oceaan overstak in Kon-Tiki.

Hoewel ‘survivallen’ inmiddels een werkwoord is voor onschuldig natuurvermaak waarin de padvinderij zich van oudsher bekwaamt, eist de ware survivalfilm hopeloze verlatenheid, extreme omstandigheden en serieus gevaar. Met eenzaamheid als een uitdaging op zich, zoals Tom Hanks die op zijn onbewoonde eiland in Cast Away (2000) tegen een volleybal praat. Iets waar zijn oermodel zich nooit toe zou verlagen: de schipbreukeling Robinson Crusoe van de al zeker dertien maal verfilmde roman van Daniel Dafoe uit 1719. Hij is een godsvruchtige, nijvere kolonist die de natuur naar zijn hand zet. Dat vinden we niet zo interessant: we willen existentiële wanhoop zien.

In de film helpt het gevaar depressieve, losgeslagen helden vaak aan mystieke inzichten en hernieuwde levenslust. Zo hervindt de suïcidale Liam Neeson zichzelf in het Hemingway-achtige The Grey (2011), waar een roedel wolven jaagt op met een vliegtuig neergestorte oliewerkers in Alaska. Wordt overleven een groepsproces, zoals in die film, dan gaat dat gepaard met hartverwarmende conclusies over menselijke solidariteit die tegenstellingen overbrugt. Wat zo’n groepsurvivalfilm zelden toont, is de deprimerende waarheid dat overleven vaak ten koste gaat van de medemens.

The Grey is een van die zeldzame, dappere survivalfilms waarin de held niet overleeft. Dergelijke anti-survival scharen we meestal onder horror. Want de survivalfilm is een sublimatie van de doodsstrijd, en dan is het stoïcijnse idee dat het draait om nobele kalmte bij het onvermijdelijke niet troostrijk genoeg. Veel opbeurender is de gedachte dat er met de dood best te marchanderen valt. Dat je kan knokken tegen kanker, strijden tegen elementen, overleven op je tandvlees. Dat hoop helpt en wilskracht de doorslag geeft.

In bijna elke survivalfilm komt dat ene moment. Zie Ralston in 127 Hours: juist als hij wegzweeft in wanhoop, keert de levenskracht terug als een stoot elektriciteit. Die voelt Sandra Bullock ook in Gravity, waar zij als astronaut zuurstofgebrek, ruimtepuin maar vooral haar eigen doodsdrift overwint. Overleven kent een morele dimensie: wanneer we de bodem raken, willen we dan echt leven? Stoempen wij dan door op gebroken botten zoals in Touching the Void (2003), zijn we dan bereid mensenvlees te eten, zoals in Alive (1993)?

Overleven is een keuze: de survivalfilm leert ons dat wilskracht het medicijn tegen de dood is. Een wensdroom helaas; ooit zal de realiteit ons teleurstellen.