Europa sombert – goed voor de film

De kunstfilm in Europa staat er artistiek uitstekend voor. Dat is de indruk die een programma van IFFR over auteursfilms in Europa achterlaat. Wel is het somberheid troef in de meeste landen.

Een generatie jongeren geniet met volle teugen van de toekomst die hun wacht. Ze dansen wat, ze flirten, ze proberen drugs, ze analyseren de wereld en genieten met volle teugen van het leven. In El Futuro van de Spanjaard Luis Lopez Carrasco – een van de films uit het brede programma Europese films van het IFFR dit jaar – kun je een uur lang meestal niet precies verstaan wat de bezoekers van een zo te zien enorm leuk feestje precies tegen elkaar zeggen. Maar het is overduidelijk dat zij de toekomst gretig tegemoetzien, met vitale energie en plezier – ondanks de zwarte teksten van de voortdurend te horen Spaanse punkbands uit de jaren tachtig.

Alleen: de toekomst in deze film over de toekomst is al lang geleden. El Futuro speelt in het verleden, in 1982 om precies te zijn. Toen kwam links aan de macht in Spanje, in de persoon van premier Felipe González, die zijn land in 1986 de Europese Unie zou binnenleiden. In 1982, op dat feestje van de film, is alles nog helemaal oké: de benauwenis van de dictatuur onder Franco is voorbij, heel Spanje stort zich met overgave in de moderniteit op alle gebieden – levensstijl, media, muziek, seks, politiek activisme.

Maar we weten hoe de toekomst van 1982 voor al deze leuke mensen er anno 2014 uit zal zien, ook al toont de film die toekomst niet: torenhoge werkloosheid, corruptie, vervlogen dromen van welvaart en persoonlijke ontplooiing, vervreemding. Dat geldt voor veel films in het Europa-programma van het IFFR: niemand lijkt meer blij met Europa, cynische berusting overheerst.

Een van de aardige dingen van een internationaal filmfestival als dat in Rotterdam is de mogelijkheid voor een bezoeker om de polsslag van de tijd op te nemen. De Europese auteurscinema staat er goed voor, krijg je de indruk. Er is een veelheid aan stijlen te zien, originaliteit viert hoogtij, ook – of zelfs met name – in de films met een klein budget.

Maar wanneer je zou proberen om uit die tientallen films een soort van actuele Europese tijdgeest te construeren, kom je tot sombere conclusies. Die films zijn daar niet voor gemaakt natuurlijk. Het zijn zonder uitzondering nationale films, gemaakt binnen het kader van het levensgevoel en het kunstzinnige klimaat van de afzonderlijke Europese landen – een gemeenschappelijke Europese cultuur bestaat nu eenmaal niet, nog minder dan een gemeenschappelijke Europese economie, of politiek, of democratie.

Maar toch. Waar je ook kijkt: overal lijkt het optimisme over de toekomst toch vooral een zaak van eergisteren, zijn alle grappige en interessante en veelbelovende ontwikkelingen eigenlijk al geweest en rest anno 2014 weinig anders dan grijze wanhoop. Het zijn veelal prachtige films, maar het feest waarover ze het hebben is grondig voorbij.

Neem Finsterworld van de Duitse Frauke Finsterwalder, een in Oost-Duitsland gesitueerde zedenschets waarin jong en oud zich vreugdeloos wentelen in materiële welvaart en het aangapen van natuurfilms op de televisie alle andere vormen van zinvolle menselijke uitwisseling lijkt te verdringen. Geld maakt niet gelukkig, ook al biedt het de mogelijkheid om nare gedachten, aan de concentratiekampen uit de nazitijd bijvoorbeeld, te verdringen.

Materialisme is ook het thema in La jalousie van de Fransman Philippe Garrel. Die film kun je zien als een naschrift bij Garrels Les amants réguliers uit 2005, waarin de opstandige jeugd van mei 1968 werd neergezet als een generatie verwende pubers. La jalousie laat zien hoe het met ze verder is gegaan. Nog is de hoofdpersoon uit de film artistiek bezig, nog probeert hij een vrij man te zijn, die probeert het kind uit zijn stuk gelopen huwelijk niet de dupe te laten worden. Maar zijn nieuwe vriendin ruilt hem moeiteloos in voor een ander die wél een auto heeft, en geld om vaker in restaurants te eten.

Sacro GRA van Gianfranco Rosi, de verrassende winnaar van de Gouden Leeuw in Venetië vorig jaar, is in sommige opzichten de tegenhanger van de succesfilm La grande bellezza van Paolo Sorrentino. Waar deze de toenemende inhoudsloosheid van het leven in de betere kringen beschrijft, laat Rosi het leven in de maatschappelijke marge aan de rondweg om Rome zien – armoedig en uitzichtloos. Gelatenheid en absurdisme strijden om voorrang.

Desillusie is ook het thema van de Oostenrijkse film Oktober November van Götz Spielmann, waarin een succesvolle actrice ervaart dat haar leven haar geen voldoening schenkt en zij zelfs niet de dochter van haar stervende vader is. Slechts het bewust niet uitspreken van de waarheid redt nog enigszins de schone schijn van maatschappelijk functioneren. Eenzelfde sfeer ademt de Roemeense film When evening falls in Bucharest or Metabolism van Corneliu Poromboiu, waarin een regisseur en een actrice werken aan de opname van een speelfilm, maar niet goed schijnen te kunnen bedenken waar deze over moet gaan.

Nee dan vroeger, toen kon je nog lachen. Spies & Glistrup van Christoffer Boe gaat over twee non-conformistische Deense zakenlieden in de jaren zeventig. Het is een vaak zeer geestig verhaal over het enthousiasme waarmee – niet in Denemarken alleen – de nieuwe tijd van seksuele vrijheid, massatoerisme en de nieuwe zakelijke mogelijkheden werd omarmd door mannen die aan het eind van de rit zich tot bedriegers ontpopten.

Net als Martin Scorceses The Wolf of Wall Street, over malafide beurshandelaren in de jaren negentig, is deze Deense film gebaseerd op het leven van werkelijk bestaande personen. Maar waar Scorcese er niet of nauwelijks toe komt door middel van zijn schelmen een tijdsbeeld te schetsen, slaagt Boe daar met zijn even vermakelijke als amorele Deense zakenlieden schijnbaar moeiteloos in. En voor een fractie van de productiekosten, mogen we aannemen. Dus het feest in Europa moge dan voorbij zijn – de Europese cinema staat er zo te zien goed voor.