Electracomplex helemaal volgens het boekje uitgelegd

Shell, het speelfilmdebuut van Scott Graham, speelt zich af in de Schotse Hooglanden, een prachtig wilde maar ook tamelijk vijandige omgeving. Midden in het winderige, desolate landschap staat een afgebladderde garage waar de 17-jarige Shell haar vader Pete helpt.

Er komen veelal vaste klanten, en enkele verdwaalde toeristen die per ongeluk in het schemerdonker een hert hebben aangereden. Haar zwijgzame, epileptische vader is een manusje-van-alles: even bedreven in het slopen van auto’s als het villen van het hertenkadaver. Kilo’s vlees worden in plastic zakjes gestopt en verdwijnen in de diepvries.

Onder de vaste klanten bevinden zich net zulke eenzame zielen als Shell en Pete: een gescheiden man komt op gezette tijden een ongemakkelijk praatje maken met Shell en leeftijdgenoot Adam hoopt Shell mee te krijgen op een avondje uit. Shell ziet ze niet staan, zij heeft alleen aandacht voor haar vader, naar wiens liefde ze snakt. De twee houden elkaar in een ongezonde wurggreep: Shell doet Pete meer dan gezond zou zijn denken aan zijn weggelopen vrouw, en Shell kruipt maar al te graag bij haar vader in bed of kijkt van dichtbij toe hoe hij een bad neemt. In een van de beste scènes besnuffelt ze hem als een jaloerse echtgenote als hij beneveld terugkomt uit de kroeg. Ruikt hij naar meer dan de drank?

Shell is een uiterst benauwende film die niet genoeg durft te vertrouwen op de kracht van zijn eigen beelden. Constant leggen bijfiguren de freudiaanse thematiek van het electracomplex uit: van het echtpaar dat denkt dat Shell en Pete man en vrouw zijn tot Adam die letterlijk de plek inneemt van haar vader. Zo laat Shell uiteindelijk nauwelijks iets aan de verbeelding van de kijker over. Doodzonde.