De euthanasiewet is ontspoord

De euthanasiewet geeft niet aan of een verzoek tot euthanasie binnen een behandelrelatie beoordeeld moet worden, schrijft Boudewijn Chabot.

Illustratie angel boligan

In NRC Handelsblad van 11 januari vertelt psychiater Casteelen over enkele personen met een psychiatrische stoornis, bij wie zij na een klein aantal gesprekken tot euthanasie overging. Zij deed dit in haar rol van arts binnen de Stichting Levenseindekliniek (SLK). Andere artsen binnen deze organisatie doen dat evenzo. Dat is een zorgelijke ontwikkeling. Niet omdat ik euthanasie bij psychiatrie afwijs, maar omdat SLK-artsen geen behandelrelatie aangaan.

Beoordeling van een euthanasieverzoek door een ander dan de behandelend arts, is slechts verantwoord mogelijk wanneer de doodswens overwegend samenhangt met een ernstige somatische ziekte. Ook beginnende dementie is een ernstige somatische ziekte en daarom is een euthanasieverzoek relatief eenvoudig te beoordelen, ook zonder een behandelrelatie.

Daarentegen ligt dit bij een psychiatrische stoornis fundamenteel anders. Daarbij hangt de doodswens overwegend samen met emotionele of existentiële problematiek. Het struikgewas van ambivalente gevoelens is bij deze patiënten meestal te complex om zonder een intensieve behandelrelatie zorgvuldig te kunnen beoordelen. Dit geldt overigens evenzeer voor ouderen die hun leven als voltooid beschouwen en steeds vaker om euthanasie vragen wanneer zij nog lang niet hoogbejaard zijn met alle gebreken vandien. Ook veel van deze ‘vroege euthanasieverzoeken’ kan een arts pas goed beoordelen binnen een behandelrelatie waarin hij grondig onderzoekt welke trauma’s verder leven tot een ondraaglijke last maken.

Niet voor niets is in de euthanasiewet de eis opgenomen dat euthanasie pas in aanmerking komt als er geen ‘alternatieve oplossing’ mogelijk is. Bij complexe problematiek van psychiatrische patiënten of bij relatief gezonde ouderen, kunnen SLK-artsen dit in enkele gesprekken niet nagaan. Als cliënt is het namelijk niet moeilijk om gedurende enkele gesprekken de façade op te houden dat er ‘van alles is geprobeerd’ en dit in brieven in het gewoonlijk incomplete medische dossier bevestigd te vinden.

Wat is nu bij psychiatrie de praktijk binnen de SLK? Collega Casteelen vertelt over een 63-jarige man die in een overheidsbaan en vrijwilligerswerk altijd goed functioneerde. Kort na zijn pensioen kreeg hij van haar euthanasie omdat hij zonder werk geen inhoud aan zijn leven kon geven. Onduidelijk is of deze melding reeds door de toetsingscommissie is beoordeeld. Los daarvan is deze casus verbijsterend.

Hoe kon de euthanasiewet zo ontsporen? Er zit een weeffout in de wet omdat deze niet aangeeft of het euthanasieverzoek binnen een behandelrelatie beoordeeld moet worden. Een dergelijke lacune zou door de RTC hersteld kunnen worden. Maar het omgekeerde is gebeurd: de regionale toetsingscommissie euthanasie, de RTC, heeft sinds 2010 het gat in de wet eerder vergroot dan verkleind. In de eerste jaren na de wet van 2002 kreeg de RTC soms meldingen waarbij de euthanasie was overgenomen door een andere arts. Het betrof altijd personen met een ernstige somatische ziekte. Het RTC-besluit dat de wet bij somatiek geen behandelrelatie vereiste, valt goed te verdedigen. Echter, vanaf 2011 nam euthanasie bij psychiatrie abrupt toe en kwamen steeds meer meldingen naar voren van euthanasie bij voltooid leven door artsen die geen behandelrelatie hadden met de overledene. In de jaren 2011-2013, die samenvielen met het van start gaan van de levenseindekliniek, had de RTC behoren te zien dat euthanasie bij personen met overwegend existentiële problematiek, principieel moeilijker te beoordelen is dan bij overwegend somatische ziekten. Zij paste haar redenering dat bij somatiek een andere arts de euthanasie kan overnemen, zonder enige openbare verantwoording toe op euthanasie bij psychiatrische patiënten en bij voltooid leven.

Wat zegt de algemeen secretaris van de RTC, mevrouw Visée, hierover? Er is sprake van „zich ontwikkelende opvattingen over de wettelijke normen”, zo citeert de NRC haar. Als deelnemer aan het publieke debat val ik van mijn stoel. Waar of door wie zijn deze ‘zich ontwikkelende opvattingen’ bediscussieerd? Ongetwijfeld binnen kringen van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) én binnen de levenseindekliniek, het troetelkindje van de NVVE. Bij de uitspraak van mevrouw Visée zou je gaan denken dat de RTC voornamelijk bestaat uit NVVE-leden.

Er rijst twijfel aan de onafhankelijkheid van de RTC nu zij bij herhaling ver voor artsen en andere segmenten van de samenleving uit loopt. Dat deed de RTC eerder bij de beoordeling van euthanasie bij gevorderde dementie in Brabant. Voor artsenorganisatie KNMG was dit reden om zich publiekelijk van de RTC te distantiëren en een behoudender standpunt in te nemen, waarin een grote meerderheid van artsen zich herkent. Het gezag van de toetsingscommissie is breekbaar. Als zij haar oordeel over nieuwe groepen die om euthanasie vragen, niet afstemt op hoe daarover buiten de NVVE wordt gedacht, dan brokkelt haar gezag snel af. Dat kan zich vertalen in een verminderde bereidheid van artsen om te melden, wat toch het laatste is wat we willen. Ook ik betreur het dat de beroepsgroep van psychiaters, die als behandelaar van jaarlijks honderden, misschien wel duizenden verzoeken om euthanasie krijgt, zich niet bijschoolt op dit moeilijke terrein. Ik heb er begrip voor dat collega Casteelen haar verontrusting hierover omzet in ruimhartige toepassing van euthanasie zonder een behandelrelatie. Toch is dat niet de weg die een voorhoede van enkele psychiaters moet gaan.

Het is de toetsingscommissie die het essentiële verschil behoort te signaleren tussen euthanasie bij somatiek en de als regel veel moeilijker te beoordelen euthanasie bij psychiatrie en voltooid leven. Wanneer zij voor de artsen die euthanasie verrichten uit loopt, komt het kostbare sociale bouwwerk rond de euthanasiewet in gevaar.