Woestijnduinen volgen de wind, net als de zandribbels op het strand

Onderzoekers walsten woestijn plat om te zien hoe de wind duinen vormt.

Vijf jaar nadat het experiment begon in de Gobi-woestijn, waren er weer duinen en zandrichels ontstaan. Foto Clément Narteau

Duinen en zandribbels in het droge strand staan meestal dwars op de overheersende windrichting. En als ze kunnen bewegen, wandelen ze langzaam met de wind mee. Dat is het beeld dat de Nederlander kent. Maar er zijn ook duinen en zandribbels die andere regels volgen. Soms is hun oriëntatie niet dwars op de heersende windrichting, maar juist in de lengterichting ervan. Of iets ertussenin. Dat blijkt uit experimenten met duinvorming in de Gobiwoestijn, die deze week in Nature Geoscience verschijnen (online).

De uitzonderingen op het Hollandse beeld ontstaan als er niet één overheersende windrichting is maar als het zand onderhevig is aan de inwerking van twee dominante windsoorten. Klassiek is de proef van de Amerikaanse geologen David Rubin en Ralph Hunter die een rond tafelblad met droog zand bestrooiden en blootstelden aan de inwerking van de constante zeewind van Californië. Het tafelblad werd in een vast ritme over een bepaalde hoek verdraaid (bijvoorbeeld 45 graden) en weer teruggebracht in uitgangspositie om de twee winden na te bootsen. Zo werd een wetmatigheid ontdekt: de zandribbels (c.q. duinen) plaatsen zich zó dat het totaal zandtransport dwars over de ribbels of duinkammen (over een lange periode in beide richtingen gesommeerd) maximaal is (Science, 1987).

De proef is nu op natuurlijke schaal herhaald in het zuiden van de Gobi-woestijn (Binnen-Mongolië). ’s Winters staat daar een hardnekkige noordwestenwind, ’s zomers waait de wind uit het oosten, een verschil in windrichting van 149 graden. In december 2007 is 17 hectare woestijn platgebulldozerd en daarna is gekeken hoe snel zich nieuwe duinen vormden. En hoe ze waren georiënteerd. Al binnen drie maanden ontstonden ribbels van een meter hoog, op een onderlinge afstand van 23 meter. Wat betreft de oriëntatie is de wetmatigheid van Rubin en Hunter prachtig bevestigd. En de duinen wandelen: ’s zomers naar het westen, ’s winters naar het zuidoosten. Min of meer heen en weer dus.