Syriërs verdienen geen cynisme

Natuurrampen, dierenwelzijn, homorechten – we doneren en tekenen wat af. Maar van Arabieren die elkaar bestoken, kijken we weg. Ons hart is dichtgemetseld met informatie daarover, vreest Désanne van Brederode.

Illustratie Rick McKee

Sinds de studentenopstanden eind jaren zestig werden demonstraties een geëigend middel voor bezorgde burgers, om aandacht te vragen voor zaken waar hun regering en landgenoten te weinig oog voor hadden. Zo demonstreerden er in 1973 in Utrecht 80.000 mensen tegen de door Amerika gevoerde oorlog in Vietnam. Een jaar later herdachten 20.000 demonstranten in Amsterdam de bloedige staatsgreep in Chili, op 11 september 1973. Engagement betekende voor velen ook dat je je aansloot bij (een regionale afdeling van) een actiecomité.

Informatiebijeenkomsten en krantjes met nieuws van ondergrondse verzetsorganisaties ter plekke, maakten dat men de solidariteit en hulp volhield, en zich actief inspande voor de opvang van vluchtelingen alhier. Ook nu, veertig jaar later, blijven er groepjes mensen actief voor het land dat ze ooit in hun hart hebben gesloten: uit niets anders dan medeleven met het tragische lot van onschuldige medemensen. En uit verontwaardiging over de Nederlandse en internationale opstelling inzake het conflict.

De anti-kernwapendemonstraties in 1981 en 1983 blijven met 400.000 respectievelijk 550.000 deelnemers onovertroffen. Maar er wordt in Nederland nog regelmatig gedemonstreerd: niet alleen voor de eigen zaak, maar ook tegen racisme, schendingen van het dierenwelzijn, een harteloos cultuur- of dito asielbeleid. Het homovijandige klimaat in het Rusland van Vladimir Poetin brengt mensen op de been, evenals de arrestatie van de punk-protestgroep Pussy Riot, en later van buitenlandse Greenpeace-activisten.

Er zijn natuurlijk méér redenen om Poetin aan te klagen, zoals de schrijnende armoede waarin veel Russen leven, de gewelddadige vreemdelingenhaat, en de steun die Rusland biedt aan het regime van de Syrische president Bashar al-Assad. Maar misschien spreken die minder tot de verbeelding?

Natuurrampen wakkeren nationaal medeleven aan en de geefbereidheid is dan groot. En de in mondiale kwestie geïnteresseerde burger kan op veel plekken zijn licht opsteken – en laten schijnen. Je kunt documentairefestivals, debatavonden en Goede Doelenmarkten bezoeken, een project adopteren, petities starten of ondertekenen via Avaaz.org of Causes.com of als kritische consument het verschil maken door te kiezen voor Fair Trade. Dat is zelfs constructiever dan een boycot of het aanplakken van boze posters.

Echter, juist dit enorme aanbod leidt tot kortstondige betrokkenheid. Tot versnippering én ‘onzichtbaarheid’. De recente Zwarte Pieten-discussie, gevoerd op Twitter en Facebook, trok veel media-aandacht, wat resulteerde in nóg meer bijdragen eraan. Mooi dat er nog steeds zoiets kan ontstaan ‘van onderop’, dus zonder de hulp van professionele instellingen. Des te opmerkelijker dat een spontane, massale uiting van verontwaardiging uitblijft als het gaat om de erbarmelijke situatie in Syrië. Het is en blijft stil – al vanaf de vreedzame demonstraties in maart 2011, tegen de jarenlange dictatuur van vader en zoon Assad, die bloedig werden neergeslagen door de regeringstroepen. Van een burgeroorlog was nog geen sprake, maar de term werd wel al veelvuldig gebruikt.

Inmiddels lijkt er inderdaad sprake van een ‘typisch’ intern Midden-Oostenconflict. ‘Om het minste hakken die Arabieren elkaar de kop in, en dan komen er meestal radicale moslimclubjes bij, die op veel aanhang kunnen rekenen. Het is daar één grote stammenstrijd en men weet zich hooguit verenigd in de haat tegen Israël, Amerika en ‘het Westen’. Hoezo een roep om vrijheid, mensenrechten en democratie? Ze maken allemaal vuile handen, en allemaal willen ze meer macht.’

Een slimme dictator als Assad spint alleen maar garen bij de ontstane wanorde. Hij betoont zich thans zelfs een verantwoordelijke leider, die wil meewerken aan het verdrag tegen chemische wapens.

Ondertussen gaan de slachtingen met reguliere wapens en brandende olievaten onverminderd door, en zijn er miljoenen mensen op de vlucht. Het regeringsleger blokkeert de toegang tot hele woonwijken, waardoor hulpverleners en leveranciers van levensmiddelen de onschuldige bewoners niet kunnen bereiken: mensen zien zich gedwongen afval, huisdieren en gras te eten om daarna alsnog te sterven van honger, uitputting, kou en gebrek aan de simpelste medicamenten. Maar: alles liever dan een shariaregime van griezelig moslimbaarden...

Soms lijkt het erop alsof het Nederlanders prima uitkomt dat ze de oorlog aldaar kunnen afdoen als een lokale aangelegenheid tussen opgewonden extremistische moslims – en de beeldvorming aangrijpen om een excuus voor hun zwijgen te hebben. ‘Inmenging verergert de zaak alleen maar, kijk maar naar Irak en Afghanistan.’

Het niets-doen komt niet voort uit onwetendheid, maar uit zogenaamde ‘teveel-wetendheid’. Het hart is dichtgemetseld met informatie. Als er nog wordt geklaagd, dan is het over de krant die op de voorpagina een foto plaatst van kinderen die zijn getroffen door een gifgasaanval. ‘Hoe durven jullie?! Ik moest de krant vandaag telkens omdraaien, opdat mijn eigen kinderen deze beelden niet zouden zien...’

Men lijkt niet meer te beseffen dat onschuldige kinderen in Syrië dagelijks zulke beelden moeten zien. En dat er dan geen bladzijde valt om te draaien.

Wat kunnen we doen? Ik kan die vraag niet voor een ander beantwoorden. Maar de vraag moet wel worden gesteld, hardop, en liefst door grote groepen machteloze maar meelevende, bezorgde burgers tegelijk.