Ja, het is echt zwaar werk – voor een hongerloontje

Voor zijn proefschrift ging antropoloog Hassan Ashraf zelf aan de slag in een kledingfabriek in Bangladesh // Tien tot veertien uur per dag werken onder grote druk in helse hitte voor grofgebekte managers

Een hoogopgeleide man, die zich vrijwillig aanmeldt voor werk in de helse hitte van een Bengaalse kledingfabriek voor een hongerloontje? De eigenaar van een fabriek in de hoofdstad Dhaka kon zijn oren niet geloven. Toch nam hij na enig aarzelen de antropoloog Hassan Ashraf (36) aan, op voorwaarde dat hij in publicaties de naam van het bedrijf niet zou noemen.

Het bood Ashraf, die werkt aan een proefschrift voor de universiteit van Heidelberg over stress onder de arbeiders van kledingfabrieken, de kans veertien maanden aan den lijve te ervaren hoe het toegaat in die sector. „Ik weet nog de dag dat ik mijn eerste maandloon ontving, na eindeloze dagen van tien tot veertien uur: welgeteld 27 euro, en dan nog 12 euro extra voor alle overuren die we moesten maken om ladingen kleding op tijd te kunnen verschepen.”

Hij ontdekte dat de arbeiders vrijwel permanent onder enorme druk staan. „Je krijgt altijd een hoger aantal te maken kledingstukken voorgeschreven dan je kunt halen. Als je er net zeventig kunt halen, krijg je te horen: maak er negentig”, vertelt Ashraf. „We snakten altijd naar de lunchpauze.”

Voor de talrijke jonge vrouwen – driekwart van de werknemers – was er bovendien de permanente vrees seksistische opmerkingen naar hun hoofd geslingerd te krijgen van mannelijke managers. „Een van hen sprak de vrouwen dikwijls aan als ‘hoer’ of riep dingen als: ‘ik neuk je moeder’.” In de Bengaalse samenleving, waar de eer van de vrouw nog veel gevoeliger ligt dan in het Westen, werken zulke grofheden als messteken.

„Het maakt allemaal deel uit van een cultuur van straffeloosheid en wantrouwen”, zegt Ashraf. „Vrijwel geen eigenaar of manager wordt ooit vervolgd voor wat hij doet. De arbeiders worstelen intussen om hun waardigheid te bewaren. Ze voelen zich opgesloten als gevangenen. Altijd worden ze gefouilleerd als ze het gebouw verlaten, om te zien of ze kledingstukken hebben ontvreemd. De toegangspoort wordt altijd streng bewaakt door particuliere veiligheidsdiensten.”

En dan is er het eeuwige stof uit de fabriek. „Je armen, gezicht, haar, alles was ermee bedekt. Je krijgt er enorme hoofdpijn van en geïrriteerde ogen. Je moet niezen en krijgt er huidaandoeningen van.” Stiekem eten de arbeiders olijven of tamarindevruchten om de keel wat te smeren. Die zijn niet toegestaan omdat er vlekken door op de kledingstukken zouden kunnen ontstaan. Water drinken mag wel, maar dat is zo vies dat je er makkelijk diarree van krijgt.

Ashraf ontdekte ook dat veel arbeiders – voor driekwart jonge vrouwen – niet meer zonder pillen kunnen om zichzelf te laten ontspannen en rustiger te worden. Vooral het middel Bromazepam van de Zwitserse fabrikant Roche vindt veel aftrek, ook omdat het zonder recept van een arts beschikbaar is. Veel arbeiders kunnen in feite niet meer zonder zulke middelen.

De antropoloog zag van nabij hoe moeilijk het is voor arbeiders die zich actief inzetten voor een verbetering van hun lot. Toen in de fabriek waar hij werkte collega’s probeerden de werknemers te organiseren deed een speciale eenheid van de politie een inval. „Dat was angstaanjagend. Iedereen rende weg en werd achtervolgd. Er vielen ook schoten. Hun protest werd keihard onderdrukt. In drie etappes werden vervolgens tweehonderd man op straat gezet en sommigen werden ook juridisch vervolgd.”

Het minimumloon bedroeg tot 1 december 2013 slechts zo’n 28,50 euro, al verdienden de meesten in de praktijk iets meer. Vorige maand werd dit eindelijk na lang soebatten verhoogd tot 50,30 euro. Maar Ashraf wijst erop dat zelfs dat nauwelijks genoeg is voor een enigszins aanvaardbare levensstandaard. „De gevolgen van zo’n loonsverhoging zijn beperkt. Ik merkte bijvoorbeeld dat meteen daarna de huren voor de kamers waarin de meeste arbeiders verblijven flink omhoog gingen, waardoor een groot deel van hun extra geld meteen verdampte.”

Toch verdringen duizenden mensen zich nog altijd voor de baantjes in de kledingfabrieken. „Het is waar”, zegt Ashraf. „Ze verdienen meer dan thuis in de dorpen en ze kunnen hun familie een beetje geld toesturen. Sommige meisjes vinden het ook veel opwindender in een grote stad te wonen dan in een dorp. Maar daar staat tegenover dat meisjes door hun vertrek uit de dorpen ook de bescherming van hun familie verliezen. Sommigen kunnen niet meer terug, omdat er in het dorp aangenomen wordt dat ze een losbandig leven voeren.”