Ik werd gek van dat hyperbewustzijn

Lieke Marsman geldt als een van de meest talentvolle jonge dichters. Haar tweede bundel gaat over angst en liefde. „De afgezaagde thema’s uit de literatuur.”

Je zult maar Marsman heten en uit Zaltbommel komen – je achternaam delen met één van Neerlands grootste dichters, en geboren zijn in het stadje waarvan Martinus Nijhoff de brug bezong. Profetische feiten. Volgende week verschijnt de tweede dichtbundel van Lieke Marsman (23). Om misverstanden te voorkomen: ze is géén familie van – „voor zover bekend dan”, zegt ze.

‘Wonderkind Marsman’ noemde de Volkskrant haar na de eerste publicatie van haar gedichten in literair tijdschrift Tirade. „Ze kan het, geen misverstand daarover.” Dat was in 2009. Marsman was achttien, studeerde net in Amsterdam en had in een naar eigen zeggen baldadige, hoogmoedige bui waarin ze dacht dat de wereld aan haar voeten lag haar gedichten ingestuurd.

Nog geen twee jaar later verscheen haar eerste dichtbundel bij uitgeverij Van Oorschot, Wat ik mijzelf graag voorhoud. ‘Krachtige poëzie, een prettig soort onderkoeld absurdisme’, volgens Het Parool. ‘Surreële anekdotes van een overduidelijk groot talent’, aldus De Groene Amsterdammer. Drieduizend exemplaren verkocht ze, drie poëzieprijzen won ze. ‘Een kleine zegetocht door de letteren’, schreef NRC.

En nu is de opvolger genaamd De eerste letter in aantocht. ‘Eindelijk is dat kreng naar de drukker’, schreef ze op Facebook. ‘Nu ga ik op thuisbezorgd.nl iets heel lekkers bestellen. En de rest van de dag in bed doorbrengen.’

Dat bed heeft een zwart bloemetjesdekbed en staat prominent in een zolderkamer in Amsterdam. Door de schuine dakramen zie je er de achterkant van De Nederlandsche Bank. Aan de muren hangen printjes van alle gedichten van haar nieuwe bundel, keurig geordend, „om het overzicht te bewaren, en om de druk op te voeren”. Want zo’n bundel, dat is nog best veel werk als je ook een onderzoeksmaster filosofie volgt en columns schrijft voor de website tirade.nu.

Daarin lezen we dat ze ‘carpe diem’ een domme uitspraak vindt (‘ik denk alleen aan de gelijknamige camping waar mijn ouders en ik in 1997 modderstromen uit de tent probeerden te weren’). Over haar hyperbewustzijn (‘sinds mijn kleutertijd achter me aan gesleurd’). Over whitening deodorant om de okselhuid te bleken (‘val dood’). Over haar behoefte aan bezwerende poëzie (‘de egocentrische drang om me in alles te herkennen’).

Eén regel heeft ze voortdurend in haar hoofd, vertelt ze: de eerste dichtregel van haar bundel. ‘Als het woord angst met de eerste letter van het alfabet begon, in iedere taal.’ De zin was voortdurend bij haar in een periode van angstaanvallen, nu drie jaar geleden. Erover schrijven kon ze pas toen de angst voorbij was. „Ik dacht: gelukkig, ik kan in elk geval nog een soort van dichten.”

Waarom kon je niet over je angsten schrijven tijdens de aanvallen?

„Voor dichten heb ik rust nodig, ik moet overzicht bewaren over de zinnen. Ik had te weinig afstand, en kon geen minuut stil blijven zitten. In die periode maakte ik alleen korte panische dagboekaantekeningen.”

Je schrijft dat je bang was om te denken dat de nieuwslezer op tv het tegen jou had – omdat je wist dat gekke mensen dat denken.

„Ik was heel bang om gek te worden. Of depressief. In die tijd dacht ik: liever vijf gebroken harten dan dit. Nu ben ik vijf gebroken harten verder en denk ik dat nog steeds. Bij liefdesverdriet komt je gevoel tenminste overeen met de werkelijkheid. Ik wist ook wel dat het onzin was, die angst.”

Zat dat relativeren van jezelf je in de weg?

„Ja ik werd gek van dat hyperbewustzijn van mij. Maar aan de andere kant heeft dat me ook geholpen. Ik lachte mezelf óók uit. Ik dacht: oké ik durf niet meer naar buiten, wat moet ik doen? Naar buiten gaan en een rondje lopen. Ik een rondje lopen, was ik weer thuis, dacht ik: ja kut, nu durf ik weer niet. Nog een rondje lopen dus. Maar het gevoel ging niet over, dus ik zocht hulp.”

‘Wie angst heeft, wil over angst lezen’, staat in een gedicht van jou.

„Ik las veel over angst. Gedichten, verhalen, dagboeken. Oké, dacht ik, andere mensen zijn hier ook uitgekomen. Soms hielp de filosofie: Heidegger en Sartre schreven mooie dingen over angst. Lekker droog. Weet je, angst is ook maar een mismaakte vorm van levenslust. Je wil zó graag dat het goed gaat, dat je daarin doorslaat en er panisch van wordt.”

En toen je geen angst meer had, wilde je erover schrijven.

„Ik vond het zo hoopvol dat het weer beter ging. Dat ik weer dingen kon, rustig op de bank zitten, uitgaan. Dat alles en iedereen er nog gewoon was. Ik wilde documenteren hoe zoiets gaat, weer beter worden. Vervolgens kwam dat legioen aan gebroken harten voorbij en heb ik daar ook maar een paar gedichten over geschreven.”

Een bundel over angst en liefde dus.

„Zo’n beetje de meest afgezaagde thema’s van de wereldliteratuur, haha.”

Je columns en gedichten gaan opvallend vaak over bewijsdrang en indruk maken. ‘Als ik naar de bakker ga, wil ik de leukste klant van de dag zijn’, schrijf je.

Ze lacht. „Ja dat vind ik ook hysterisch van mezelf. Weet je, de meeste mensen houden rond hun zeventiende wel op om een wereldberoemde rockster te willen worden. Ik wil dat nog steeds. Het is niet realistisch, weet ik ook wel. Het is de drang om iets te maken en daar dan ook erkenning voor willen. Ik schrijf met mensen in mijn hoofd. Ook als ik in mijn eentje pasta aan het koken ben, vind ik het leuk te fantaseren dat ik meedoe aan Masterchef The Netherlands. Als de critici in mijn hoofd groen licht geven, dan is het pas goed.”

Vermoeiend?

„Het zet dingen op scherp, het zorgt ervoor dat ik beter presteer, mooiere dingen maak. Ik dicht ook voor mezelf hoor, maar een deel van het geluk ligt toch in de erkenning die ik krijg.”

Dan zal elke afwijzing hard aankomen.

„Ik ben extreem bang om afgewezen te worden. Ik voorkom die situaties altijd, ook in de liefde. Of ik ga nog beter mijn best doen, of ik ontloop situaties waarin ik afgewezen zou kunnen worden.”

Je brengt dichtbundels uit.

„Ja, maar dichten is een van de weinige dingen waarvan ik echt zeker ben dat ik het kan.”