Heldere Chailly, fluwelige Wiener

Elke keer als een wereldtoporkest Amsterdam aandoet, rijst de discussie. Is ‘ons’ Concertgebouworkest het beste, of toch Wenen of Berlijn? Een eenduidig antwoord is er niet, waarmee de discussie dezelfde helse onsterfelijkheid is beschoren als die tussen liefhebbers van goud versus zilver.

Wat feiten: de spelinstelling van de Wiener, gister éénmalig te beluisteren als onderdeel van een Europese tournee, is meer op leven en dood en de strijkers hebben een fluwelige resonantie. Des te interessanter was het dus het orkest te horen onder de oude Amsterdamse chef Riccardo Chailly, een meester in analytische helderheid.

Voor Leonidas Kavakos is het Vioolconcert van Sibelius hét werk waarvoor hij door alle grote orkesten wordt gevraagd. Kavakos bespeelt zijn viool als derde arm: bedwelmend fraai van toon en technisch zo soeverein dat ook de complexe polyfonie van de toegift (Bachs Partita nr. 3, Gavotte en Rondeau) voelde als pure eenvoud. Maar hoe volmaakt ook sommige zachte akkoorden in het orkest (in de zaal gingen genotszuchten op): Kavakos’ dialoog met Chailly en de Wiener miste de toverchemie van zijn uitvoering met het KCO en Jansons (2012).

Chemie was er wel in de Zesde van Bruckner – minst populaire van diens rijpe symfonieën. Hier maakten Chailly en de Wiener meteen indruk met een energiek, snel Maestoso, waarin ook bespiegelende passages gevrijwaard waren van melancholie.

Interpretatief moet de verticale Bruckner van Chailly – focus op klankdetaillering en moderne elementen – je smaak zijn. Religieuze extase en breed uitgesponnen horizonten tref je er weinig. Wel: fascinerend krijsende trompetten, als herauten van de moderne tijd (Finale). En dat robuuste geploink van zo’n Wiener staccato (celli en bassen) is om verliefd op te worden.