Een goede moeder werkt vooral niet te veel

Vrouwen gaan minder werken als er kinderen komen; hun partners zelden. Die rolverdeling verandert nauwelijks. Emancipatie is uit, aldus onderzoeker Justine Ruitenberg.

‘Je hebt kleine kinderen en je werkt fulltime? Wat leuk!’ Hoogst onwaarschijnlijk dat een voltijd werkende moeder deze reactie krijgt. Waarschijnlijker is dat de ander vraagt hoe ze dat dan doet met opvang enzo. Of dat diegene – ook een moeder – zegt: „Wat veel zeg, dat zou ik nooit doen”.

Nee, zij werkt in deeltijd, zoals de meerderheid van de Nederlandse moeders. Wie afwijkt van de norm – deels werken, deels zorgen – proeft onbegrip en krijgt stille verwijten. Dat concludeert Justine Ruitenberg. Morgen hoopt ze op haar onderzoek Socialized Choices, Labour Market Behaviour of Dutch Mothers aan de Universiteit van Amsterdam te promoveren.

We weten dat Nederland een deeltijdland is: driekwart van de werkende vrouwen heeft een deeltijdbaan. Gemiddeld werken vrouwen 26,4 uur per week. Ongeveer hetzelfde percentage geldt voor moeders – met of zonder partner. Dat blijkt uit de laatste Emancipatiemonitor van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Prima werkweek, vinden de vrouwen (de mannen zijn overigens ook tevreden). Want wens en praktijk verschillen niet veel: Nederlanders vinden voor moeders met jonge kinderen een werkweek van 2 à 3 dagen ideaal blijkt uit diezelfde Emancipatiemonitor, voor vaders is dat 4 à 5.

De twee andere opties voor moeders – helemaal niet werken of een volledige baan – komen zelden voor. In 10 procent van de gevallen stoppen vrouwen met werken zodra ze moeder worden, en 10 procent is een fulltime werkende moeder.

De vaak gehoorde verklaring voor al die in deeltijd werkende moeders is dat de overheid er zelf voor heeft gezorgd dat aanpassing van het contract mogelijk is voor iedere werknemer en dat de rechten van deeltijders goed geregeld zijn. Wie in deeltijd werkt, heeft een goede baan, in tegenstelling tot parttimers in de meeste omringende landen.

De omstandigheden zijn misschien gunstig, maar Ruitenberg laat met haar onderzoek zien dat de beslissing om in deeltijd te werken niet echt een vrije keuze is. Ouders, partners en werkgevers hebben een grote invloed op de arbeidsmarktdeelname van moeders. Ook ervaren moeders druk uit hun sociale omgeving om in deeltijd te werken en beperkt van kinderopvang gebruik te maken.

Niet dat fulltime werkende moeders uitgescholden of gestraft worden voor hun keuze, zegt Ruitenberg. „Sociale normen zijn impliciet en liggen onder de oppervlakte. Je krijgt veel goedkeuring als je eraan voldoet, maar goedkeurende reacties blijven uit als je afwijkt van de norm.”

Een van de geïnterviewden uit het onderzoek, een fulltime werkende moeder, vertelde: „Mijn baas zei tegen mij dat zijn dochter in deeltijd werkt omdat ze een goede moeder wil zijn.”

Ruitenberg (43) ondervroeg via een enquête een representatieve groep moeders (935) met ten minste één thuiswonend kind van 12 jaar of jonger en interviewde er 39. Ja, moeders zijn tevreden met hun deeltijdbaan. Zij hebben vaak de ouderlijke boodschap verinnerlijkt dat zorgen voor anderen belangrijk is, en krijgen bovendien veel waardering van hun omgeving, stelt Ruitenberg.

Voor de meeste vrouwen blijkt het een automatisme om minder te gaan werken als er kinderen komen, zij nemen de zorgtaken grotendeels op zich. De partners zien dat ook zo. Ruitenberg: „Hoe het vaak gaat: de man zegt tegen zijn vrouw dat het prima is als ze minder gaat werken of stopt. Moeder beslist dus hoe er voor het kind wordt gezorgd. Bovendien staan zijn uren niet ter discussie.”

Uit onderzoek door het SCP blijkt dat mannen hun arbeidspatroon nauwelijks aanpassen als ze vader worden: 95 procent blijft evenveel uren werken of zelfs meer. Dit percentage is sinds 2001 niet veranderd.

Deze rolverdeling is zo ingebed in de samenleving, dat een gesprek over de taken niet eens plaatsvindt tussen de ouders. Meer dan de helft (55 procent) van de stellen bespreekt zelden of nooit hoe ze het samen gaan doen.

Emancipatie is uit, stelt Ruitenberg. Dat zegt ook onderzoeker Wil Portegijs van het SCP. „In Nederland bestaat een algemeen ideaal van gelijkheid en een praktijk van ongelijkheid. En niemand maakt zich er echt druk over.” Portegijs merkt dat sinds midden jaren negentig de opvattingen traditioneler worden. „Inmiddels is de helft van de mannen ervan overtuigd dat de vrouw beter geschikt is om kinderen op te voeden, en 30 procent van de vrouwen.”

Die opinie wordt ook met verve uitgedragen door verloskundige Beatrijs Smulders. Zij mengt zich al jaren in de discussie over de rolverdeling en wat goed is voor het kind. Vorig jaar (22 januari 2013) publiceerde deze krant een artikel van haar hand. Daarin stelt ze dat „parttime werken voor vrouwen met kleine kinderen juist bevorderd zou moeten worden”. „Mannen kunnen het wel, maar vrouwen zijn beter geschikt om met baby’s te tutten.” Onderzoek heeft ze niet, „maar kijk naar de biologie. Hormonaal wordt er negen maanden lang aan vrouwen getimmerd zodat ze klaar zijn voor de zorg voor hun kind.”

De deeltijdsamenleving is de afgelopen jaren door verschillende vrouwelijke opiniemakers wel ter discussie gesteld. Ook Portegijs van het SCP plaatst er kritische kanttekeningen bij. „Moeders die in deeltijd werken, verdienen minder dan hun partner. Als ze er alleen voor komen te staan, kunnen ze zichzelf niet bedruipen. En hun doorstroming naar hogere functies stokt.”

Dat vindt het huidige kabinet ook een probleem. Vrouwen zouden vaker economisch zelfstandig moeten zijn – nu is dat de helft. Minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, PvdA) schreef in november in Trouw: „De impliciete code dat het toch bedenkelijk is als een moeder voltijd werkt, blijkt hardnekkig.”

Het onderzoek van Ruitenberg laat zien dat moeders die van huis uit hebben meegekregen dat op eigen benen staan belangrijk is, en die in hun keuzes gestimuleerd worden door partner en werkgever, meer willen werken en meer gáán werken. Maar zolang ‘een goede moeder’ iemand is die vooral zelf voor de kinderen zorgt, werkt zij in deeltijd.