Zelf plagiaat

et woord van de week was niet te missen, want het stond in een kop op de voorpagina van deze krant. Ik heb het natuurlijk over zelfplagiaat. Het gaat mij hier niet om de zaak zelf – veelpublicerende hoogleraar VU – maar om het woord.

Zelfplagiaat is een woord dat een kleine kortsluiting in de hersens kan veroorzaken. Dat was althans bij mij het geval. Zelfplagiaat, uh, kan dat dan? De essentie van plagiaat is toch dat je iets van een ander pikt?

Het artikel maakte duidelijk dat het genuanceerder ligt. Zo is er bijvoorbeeld sprake van overname, zonder bronvermelding, van teksten uit publicaties die met een co-auteur zijn geschreven. Heb je het dan over overname van eigen teksten (zelfplagiaat), van teksten van een co-auteur (plagiaat), of is dat onderscheid niet relevant omdat het er vooral om gaat dat je duidelijk moet maken dat je iets hergebruikt?

Hoe dan ook: bij deze krant meldde zich een jurist die meende dat hij het woord zelfplagiaat had bedacht.

Ik schrijf deze rubriek al jaren, en om de zoveel tijd meldt zich iemand bij mij die claimt dat hij – het zijn eigenlijk altijd mannen – een bepaald woord heeft verzonnen. IJdelheid zal hier niet vreemd aan zijn, maar die is goed te begrijpen: het is natuurlijk prachtig als je een woord hebt gelanceerd dat aanslaat. Daar zou ik ook trots op zijn.

Mijn ervaring: zo’n claim houdt vrijwel nooit stand.

Dat geldt ook voor zelfplagiaat. De jurist in kwestie meende dit woord in 1998 te hebben gemunt, maar al in Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië van 1914 lezen we: „Hoort eens, dat zelf-plagiaat wordt vervelend.” Zo’n vroege vindplaats zegt overigens niet alles. In dit geval ging het bijvoorbeeld om een man die zijn tegenstanders steeds op dezelfde manier zwartmaakte. Zelfplagiaat betekent hier dus: (vervelende / weinig originele) herhaling.

Dat is natuurlijk niet hetzelfde als de min of meer juridische betekenis van zelfplagiaat. Toch vinden we ook die al eerder, bijvoorbeeld in De Socialistische Gids van 1926, in een tekst van mr. D. Hudig: „Piljnjak voelt zelf ook, dat hij zijn hoogtepunt reeds overschreden heeft, en hij keert telkens tot zijn vroegere werken terug. Hij doet dit echter op een ontoelaatbare wijze, nl. door zelfplagiaat: hij neemt gedeelten van zijn vroegere verhalen in de nieuwere verhalen op, geeft oude verhalen onder nieuwe titels uit, enz.”

En zelfs zo’n vondst hoeft niet doorslaggevend te zijn. Iemand bedenkt een woord, maar daarna wordt het decennialang niet meer gebruikt. Vervolgens wordt het opnieuw bedacht en slaat het wél aan. Ook woorden kunnen, net als technieken, diverse vaders hebben.

Bij zelfplagiaat is het niet zo gegaan. De eerste vader is niet met zekerheid bekend, maar sinds 1914 is het te vaak gebruikt om een tweede vader te kunnen aanwijzen.

Voor lezers die onterechte spaties maar geneuzel vinden (iemand vond het gelijkstaan aan ‘mieren neuken’), zoek de verschillen tussen deze twee zinnen: ‘Aangever Diekstra pleegde zelf plagiaat’ en ‘Aangever Diekstra pleegde zelfplagiaat’. Alleen de eerste zin, die in 2001 als kop in De Telegraaf stond, dekt de lading.