Column

Wayback Machine

Soms mis ik de achttiende eeuw zo. Op zulke momenten verdrijven bibliotheken mijn diepe eenzaamheid. Ik steek mijn hand uit naar een paar leuke achttiende eeuwers en ze rollen zomaar van de plank. Met hun pruiken en hun porselein, hun satire en hun empirie, hun vooruitgangsgeloof. Jonathan Swift. Adam Smith. De jacht op de standaardmeter. De Encyclopédie. De jonge jaren van Jane Austen. Capability Brown.

Het is een simpel soort tijdreizen. Lezen. Het luxere segment van de groepsreis. In de bus babbel je zijdelings met je tijdgenoten en tegelijk achterwaarts door de eeuwen heen. Grotere geesten dan jij gooien onderweg hun ideeën op en wat je vangt mag je houden. Tenminste, zolang je hen braaf als bronnen vermeldt. Dan heet dat vangen eruditie en dat geeft je meer intellectueel aanzien, is mijn persoonlijke ervaring, dan plagiaat.

Tot zover snapt u het. Kent u het zelfs. Maar wat als je per ongeluk veranderingen aanbrengt in die achttiende eeuw? Wat als je een bloemenvaasje over de Encyclopédie heen kiepert en daarmee het lemma over dialectiek verwoest? Of, iets realistischer geformuleerd, wat als je met de kennis van nu het verleden herschrijft? Dan kan het gebeuren dat de achttiende eeuwers opeens jouw moderne ideeën verwoorden. En vermelden ze jou dan netjes als bron? Ho maar. Hier begint de groepsreis broeierig en interessant te worden.

Het veranderen van het verleden, heb ik me laten vertellen, trekt ook al tijden de aandacht van natuurkundigen. Haal je materie uit elkaar, dan zouden de delen namelijk weer naadloos in elkaar moeten passen zodra je de film van de tijd terug draait. Stel, Jan Huigen zit in een ton met een hoepeltje erom en die ton valt in duigen. Dan moet dat hoepeltje er weer om en Jan Huigen er weer in, als je de tijd terug draait. Gebeurt dat niet, dan is de tijd kennelijk niet symmetrisch.

Hierover las ik onlangs ergens iets in de blogosfeer op een plek die ik zelfs niet meer kan terugvinden via de Internet Archive Wayback Machine en ik heb het dus niet van mezelf. Hoe dan ook, de boodschap is duidelijk. De tijd zou symmetrisch zijn als je de schepping achterstevoren zou afspelen en je eindigde opnieuw met niets. Als je straks in het aardse paradijs de uitzendingen van Utopia achterstevoren draait en je houdt weer gewoon John de Mol over.

Maar zo werkt het dus niet. Want de natuurkundigen, die bij wijze van spreken Jan Huigen en zijn hoepel in een deeltjesversneller stoppen en ze op elkaar laten botsen, merken dat Jan Huigen de ton niet terug in wil. Er zijn zoveel blokkades op de weg terug in de tijd, dat we alleen voorwaarts kunnen leven. En hier raken de schrijvers en filmers geïnteresseerd. Want denk eens aan de psychologische en politieke gevolgen van zo’n onmogelijke weg terug! Wat? O, dat wist u allemaal ook al. Vertel eens iets nieuws, zegt u. Maar er is niets nieuws. „Wanneer men van iets zegt: ‘Kijk, iets nieuws’, dan is het altijd iets dat er sinds lang vervlogen tijden is geweest”, zegt iemand in de Bijbel, ik ben vergeten wie. Dat de tijd asymmetrisch is betekent voor schrijvers dat ze steeds weer hetzelfde zeggen als mensen in vroeger eeuwen, maar dat ze het vervolgens niet meer onopgemerkt in de geschiedenis kunnen terugplaatsen. Volgen ze de weg terug, dan blijkt de omgeving veranderd.

Daar heb je het verschil tussen citeren en plagiaat. Bij plagiaat staat de bus stil. Bij citeren reizen de woorden heen en weer tussen de eeuwen en veranderen en passant de geschiedenis. Ze krijgen nieuwe betekenis en veranderen daarmee de interpretatie van het verleden; zozeer zelfs dat het verleden na verloop van tijd de nasleep lijkt van het heden. „Omnia mutantur, nihil interit”, zoals dingetje al zei. Alles verandert, niets gaat teloor.

Natuurlijk zou ik hier nu niet opnieuw over zijn begonnen als schrijver Marian Donner me niet een citaat van Umberto Eco had gestuurd. Eco vroeg zich af of de tijd lineair verloopt. Is de Bijbel geschreven voor of na het Corpus Hermeticum waaraan het gedachten ontleent? Ik antwoordde Donner met een citaat van Jorge Luis Borges, omdat het me zelf niet zo gauw te binnen wou schieten. Neem me niet kwalijk. Nu weet u nog niets. Zo’n stukje als dit is eigenlijk ook niet veel meer dan een soort deeltjesversneller. Je laat wat ideeën op elkaar knallen en kijkt wat er gebeurt, je bestudeert de eigenschappen van het resultaat, in de hoop een glimp op te vangen van de oorspronkelijke betekenis. In de crash verschijnen deeltjes Bijbel en Borges, materie en antimaterie, atomaire en subatomaire gedachten. En uiteindelijk ook een hoop overtollige energie, die u hierbij cadeau krijgt.