‘Wacht maar, wij gaan de wereld veroveren’

Het oudste orkest van China is deze week voor het eerst in zijn 135-jarig bestaan te beluisteren in Nederland.

Voor maestro Yong Lu zijn de meeste orkestleden bang – iedereen heeft een tijdelijk contract. Boven de deur een klassieke propagandatekst: ‘werk samen, werk hard, weest toegewijd en beschaafd’ Foto David Høgsholt

De repetitieruimte van het Shanghai Symfonie Orkest lijkt een decor uit de Koude Oorlog. Bruine gordijnen, vergeelde muren, een versleten propagandaleus aan de muur: vergane glorie. Toch repeteert hier op een zaterdagmiddag het orkest dat één van de beste in Azië beweert te zijn.

Chef-dirigent Long Yu leidt zijn strijkers met robuuste bewegingen door Moon reflected on the Erquan Fountain, waarin het traditionele geluid van de tweesnarige erhu wordt nagebootst. De vele glijdtonen van de violen doen in Westerse oren wat kitscherig aan. Maar ook Long Yu grapt: „Dit is een instrument dat voortdurend naar de goede noot zoekt.”

Dit folkloristische werk van Hua Yanjun staat met Tsjaikovski en Moessorgski op het programma waarmee het Shanghai Symfonie Orkest (SSO) deze maand voor het eerst in haar 135-jarig bestaan Nederland bezoekt, nadat het wel al eerder tournees naar Duitsland en de V.S. ondernam.

Dat Chinese solisten het goed doen, is sinds Lang Lang bekend. Maar de reputatie van Chinese orkesten loopt wereldwijd ver achter. Straks moet in Eindhoven en Amsterdam hét bewijs worden geleverd, dat het SSO het laatste decennium net zo snel groeide als de skyline van Shanghai.

Is het vreemd dat Chinese orkesten, maar ook dirigenten en componisten nog nauwelijks internationaal doorbreken? Ray Chen vindt van niet. De Taiwanees-Australische violist zal in Nederland soleren in het Vioolconcert van Tsjaikovski. „Het bouwen aan een muziekcultuur heeft tijd nodig, orkesten en dirigenten moeten rijpen”, zegt Chen. „Na de Culturele Revolutie van de jaren zeventig moest men in China opnieuw beginnen. Mondjesmaat neemt de collectieve muzikale kennis weer toe. Het stereotiepe beeld dat een Chinees orkest als een groep robotten speelt, klopt echt niet.”

Inderdaad kent het SSO een roerige geschiedenis. Wat in de negentiende eeuw begon als blazersbandje ter vermaak van Engelse en Franse kolonisten, werd in 1907 een klein symfonieorkest vol Filippijnse en Westerse musici. De eerste Chinese orkestleden volgden pas twintig jaar later. De Italiaanse dirigent en pianist Mario Paci kneedde in het Interbellum een orkestcultuur van hoog niveau.

Maar de naoorlogse periode bleek destructief. Nadat Mao Zedong aan de macht kwam, verlieten de buitenlandse musici massaal het orkest. Tijdens de desastreuze Culturele Revolutie (1966-76) volgde een verbod op het spelen van Westerse klassieke muziek; er viel slechts uit acht ‘revolutionair verantwoorde’ Chinese stukken te kiezen. Dat deze traumatische periode nog nauwelijks bespreekbaar is, blijkt uit het vijf jaar oude jubileumboek van het SSO: slechts een kuise alinea wordt aan de Culturele Revolutie gewijd.

Liever kijkt men vooruit. En aan hernieuwd optimisme van het nog altijd grotendeels Chinese orkest – momenteel slechts vier buitenlanders – is geen gebrek. Symbolisch is het gloednieuwe concertcomplex dat binnenkort de aftandse repetitieruimte zal vervangen, alsook de droge akoestiek van de oude Shanghai Concert Hall. Sinds enkele jaren bestaat een nauwe band met de New York Philharmonic, dat meehielp met het opzetten van een orkestacademie in Shanghai. Al leveren internationale audities nog weinig buitenlandse kandidaten op.

Vooral één man is de belichaming en motor van het toenemend zelfvertrouwen. Maestro Long Yu: muzikaal aangestoken door zijn componerende grootvader Ding Shande, opgeleid in Berlijn, nu leider van liefst drie orkesten in Shanghai, Beijing, Guangzhou. Met zijn forse bouw en strenge gezicht is hij duidelijk een dirigent die discipline afdwingt. Een musicus verklapt dat de meeste orkestleden bang voor hem zijn – iedereen heeft een tijdelijk contract.

Toen Long Yu in 2009 chef werd, moest er veel verbeteren aan het SSO, zegt hij na de repetitie. Een meerjarenplanning, onontbeerlijk voor internationale ambities, ontbrak. Het repertoire was en is klein. „En toch heeft Shanghai een prachtige muzikale traditie”, weet hij. „Grappig genoeg heeft elke Chinese musicus van formaat aan het Shanghai Conservatorium gestudeerd, of op zijn minst een Shanghaise leraar gehad.”

Er bestaat geen typisch Chinese manier van symfonische muziek maken, vindt Yu. „Al was het lange tijd moeilijk om Chinese hout- en koperblazers te vinden. Viool en piano zijn hier nu eenmaal populairder. Maar ook dat is de afgelopen jaren verbeterd. Alle instrumentgroepen blinken nu uit in verfijnd spel.”

Onafhankelijke muziekjournalistiek is in China nagenoeg afwezig. Maar The New York Times citeerde anonieme Chinese bronnen die suggereren dat Long Yu eerder om zijn organisatorische en politieke dan muzikale talenten is aangenomen. Het bestuur van het SSO, dat vooral uit sponsors bestaat, brengt advies uit over de benoeming van de chef-dirigent, de overheid beslist. Musici hebben nauwelijks inspraak.

Ook zou Yu met zijn drie orkesten in China te veel macht hebben. Maar de dirigent herkent zich hier niet in. „Er was tot voor kort een gebrek aan goede Chinese dirigenten, waardoor ik tegen mijn zin die macht kreeg. Ik doe er juist alles aan om jong talent te stimuleren. Minder macht is me liever: ik word binnenkort vijftig.”

Het SSO stoelt financieel op drie poten van ongeveer gelijke lengte: stadssubsidie, kaartverkoop en sponsoring, met een totaalbudget van bijna tien miljoen euro. Hoe belangrijk de elf sponsors zijn, blijkt op een besloten sponsorconcert voor één van hen. Buiten de Concert Hall staan rijen dure auto’s, binnen vangt het SSO aan met The sunshine of finance, het officiële bedrijfslied van de Shanghai Pudong Development Bank. Op dit quasi-heroïsche orkestwerkje volgt de al even pompeuze Ode aan de Rode Vlag (1965) in ouderwetse Sovjetmuziekstijl, afkomstig uit één van de modelpartituren van de Culturele Revolutie. Geen twijfel: het SSO eert communisme én kapitalisme.

Na een Peking-operafragment volgt Tsjaikovski’s Vioolconcert en valt de kletsende zaal vaker stil. Solist Ray Chen lijkt aanvankelijk geremd door het weinig assertieve orkest. De uitspraak van SSO-violiste Huang Na dat Chinezen ‘nu eenmaal communisten zijn die hun leider volgen’ lijkt hier te worden bevestigd. Maar in het langzame deel viert Long Yu de teugels, verstrengelen de muzikale lijnen en laat het SSO horen hoe vloeiend haar strijkers, hoe sierlijk opbloeiend haar soloblazers kunnen zijn.

„Wacht maar”, voorspelt Chen. „Zodra de generatie die nu in het buitenland studeert massaal terugkeert om in China les te geven, kijk ik goed over mijn schouder. Dan wordt Chinese discipline effectief aan muzikale passie gekoppeld, en gaan de Chinese orkesten de wereld veroveren.”