Waarom vliegt de vogel en waarheen?

Raymond Klaassen wilde het niet, maar is tóch vogelbioloog geworden // De gemiddelde trekvogel? Nee, dat is niet die gans in V-formatie, weet hij door onderzoek // Dat is het eenzame vinkje, ‘s nachts, heel hoog in de lucht

Raymond Klaassen met een grauwe klauwier. Foto Roine Strandberg

Een grauwe kiekendief die in een bos slaapt? Onmogelijk. Vogelbioloog Raymond Klaassen geloofde zijn eigen resultaten niet. Een grauwe kiekendief is een roofvogel van het open veld. In Nederland gedijt hij alleen goed in het kale oosten van Groningen.

Klaassen en zijn medebiologen hadden een paar dagen eerder enkele grauwe kiekendieven satellietzenders omgegord, toen de vogels vertrokken voor de najaarstrek naar Afrika. Hoe lang zou de reis duren? Waar zouden ze stoppen? Het was een ongekend groot onderzoeksproject. Zes jaar veldwerk, tientallen kiekendieven met zenders uit drie populaties, bijna 250.000 euro.

Al op de dag dat de vogels wegvlogen, kwamen de eerste kaartcoördinaten binnen. Overdag vlogen de kiekendieven zo’n 200 kilometer, vooral glijdend op de thermiek. ’s Nachts sliepen ze. Klaassen zocht de rustplaatsen op in Google Earth: „Ik kijk naar die gps-posities en zie een groot dennenbos. Ik dacht: dat zal inmiddels wel een kapvlakte zijn, want dat kan niet kloppen. Dus zijn we sommige slaapplekken gaan nakijken. Ze slapen écht in bomen, de helft van de dagen.”

Raymond Klaassen (1977) wilde geen vogelbioloog worden. Dat is niet gelukt. In de eerste zeven jaar van zijn carrière publiceerde hij al 38 wetenschappelijke artikelen, de meeste over trekroutes. Kleine mantelmeeuwen, gierzwaluwen, poelsnippen, kiekendieven, grauwe klauwieren, enzovoort. Ook in de grote bladen – zelfs Science, in 2012.

Van de trek van de meeste trekvogels weten we niets, vertelt Klaassen op een felrode sofa in het ecologisch instituut NIOO in Wageningen waar hij werkt. Waarom bestaat vogeltrek? Hoe oriënteren vogels zich? Maar ook: waar vliegen ze, wanneer?

De gemiddelde trekvogel is niet die grauwe gans die in V-formatie zuidwaarts klapwiekt. Nee, het is een kleine vink die op 1 à 2 kilometer hoogte overvliegt. Altijd in zijn eentje, altijd ’s nachts. Nooit ziet een vogelaar hem trekken. „Van kleine trekkende zangvogeltjes, 85 procent van alle trekvogels, weten we nagenoeg niets.”

Maar dat is aan het veranderen. Want steeds meer vogels maken de oversteek naar Afrika met sensoren op hun rug. „Het gaat nu heel hard, die zenders worden steeds lichter. We kunnen al koekoeken volgen.”

Deze week publiceerde Klaassen over trekkende Deense en Zweedse koekoeken in PLOS One. Overmorgen verschijnt een zenderonderzoek van hem in Proceedings of the Royal Society B.

Dat kiekendieven in bomen slapen, was een verrassende vondst. Maar het grote patroon is het belangrijkst. De Groningse kiekendieven waaieren uit over Afrika, net als hun soortgenoten uit andere Europese landen. Poolse en Nederlandse dieren kunnen in de winter buren zijn. Met een verrekijker of pootringen was niemand daar ooit achter gekomen.

„Een grauwe kiekendief, in de hand, is zo’n fantastisch beest. Hij is zó mooi.” Klaassen gebaart alsof hij een door een eeuwenoud boek bladert. „Dan maak je die vleugels open en zie je die donkergrijze baantjes lopen, dat is zó kicken. En op de ondervleugel zit een soort oranje stippeling... Op dat moment word ik even de vogelaar die alleen maar geniet – en dan zet ik de zender op zijn rug. Ik beschouw mijn werk nooit als werk. Ik wil weten hoe het zit.”

Wat wil je dan weten?

„Uiteindelijk? Een jonge kiekendief komt uit een ei. Na een paar maanden gaat dat beest helemaal op eigen kracht naar Afrika, en meestal lukt dat gewoon. Hoe werkt dat? Welke strategie volgt hij? Is zijn doelgebied voorgeprogrammeerd in zijn genen? Of vliegt hij gewoon 180 of 200 graden naar het zuiden en ziet hij wel waar hij uitkomt?”

Hoe ver is de wetenschap met de antwoorden op die vragen ?

„We kunnen steeds beter voorspellen hoe een vogelsoort trekt. Roofvogels, zwaluwen of ganzen volgen elk een eigen, tamelijk voorspelbaar patroon. Maar ondanks die globale patronen blijkt uit het zenderwerk dat elke individuele vogel iets anders doet. De grauwe kiekendief die we het langst gevolgd hebben, Franz, ging vijf jaar lang naar dezelfde stopover-plek, in het hoogland op de grens tussen Algerije en Marokko. Elk voorjaar en elke herfst. In de winter was hij in Mali. Maar zijn buurman uit Oost-Groningen kan dan best 1.200 kilometer oostelijker zitten. Waarom? Is het toeval, omdat de wind in zijn eerste jaar meer uit het westen waaide? Of had die andere vogel misschien een Poolse moeder?”

Wat denk je zelf?

„Ik denk dat de doelgebieden van trekvogels deels genetisch bepaald zijn. Dat er een aangeboren neiging is die verder gaat dan ‘ik vlieg zes dagen naar het zuiden’. Kijk naar de trek van grauwe klauwieren. Die vliegen helemaal in hun eentje van Zweden, via Egypte en de Sahel naar de Kalahari-woestijn. En terug via de Hoorn van Afrika en Turkije. Dat is zo ingewikkeld.”

Er is dus een aangeboren neiging om precies naar de Hoorn van Afrika te vliegen?

„Ja, dat denk ik. Stel dat we het helemaal zouden begrijpen. Dan zouden we in het DNA kunnen knippen en plakken, en zo een jonge vogel ergens anders naartoe kunnen sturen. Ik wil heel graag jonge vogels zenderen, om achter de individuele ontwikkeling van trekroutes te komen.”

Je bent zelf nooit in Afrika geweest, toch?

„Nee. Heel jammer. Nu we steeds meer kennis verzamelen over die soorten, wil ik graag de landschappen erbij zien. Congo zou heel spannend zijn. Een groot deel van de Nederlandse boerenzwaluwen zit daar, koekoeken, gierzwaluwen, Zweedse poelsnippen... En het gekke is: vogelbiologen die daar in het regenwoud geweest zijn, zien geen trekvogels. Misschien zitten ze wel boven de bomen. Stel je voor: onder de bomen gorilla’s, en erboven onze zwaluwen.”