Column

Simone Rustig G., je hart

Vorige week was ik op een boekpresentatie van een vriendin, de schrijfster. Het was vol en warm, maar we zweetten zonder morren door het officiële gedeelte heen tot de borrel – het moment waarop iedereen die even verplicht z’n gezicht liet zien verdween en de mensen die op meer hoopten overbleven. Toen de bar dichtging en zelfs het op de toog geworpen briefgeld niet meer werd aangenomen, besloot een journaliste dat feest meer waard is dan regels: ze schonk zichzelf espressokopjes wijn uit een gestolen fles.

De vader van de schrijfster was er ook en wenste wel zo’n espresso. Hij zei dat hij niet wist hoe zijn dochter een kind van hem was en bedoelde dat positief. Met rood aangelopen wangen tierde hij over de boekhandel bij hen in het dorp. Hij was met een aankondigingsposter naar de Primera gegaan – de ultieme vaderdaad –, maar zijn dochter mocht niet achter het raam, iets met rechten en afspraken die zelfs voor lokale sterschrijvers gelden. Een vriend zei, „Rustig G., je hart.” Het was geen grap op cliché, er was werkelijk iets moeilijk in zijn borst, maar vanavond was hij ongeremd trots op zijn dochter, de enige auteur die hij leest.

Thuis verdeelde de schrijfster de Amaretto die ze van haar redacteur cadeau had gekregen en riep ze dat Ulysses ‘eigenlijk een kutboek’ was en iemand voorspelde dat die uitspraak de kop bij het verslag zou worden dat een van de aanwezigen ongetwijfeld ging schrijven over deze avond.

De Anti Burst Gymball die de schrijfster als bureaustoel gebruikt (tegen het inzakken van haar ruggengraat), rolde de dansvloer (twee bij twee meter woonkamer) op en de dronken journaliste die haar hakken al had uitgeschopt deed alsof het de sloopkogel van Miley Cyrus was.

De schrijfster zei ‘ssh’, de muziek moest iets zachter want de buurvrouw was een boze, zo’n boze dat de schrijfster nooit ruzie met haar had ‘en dat zegt wat’, benadrukte ze, duidelijk een kind van haar vader.

Ik fietste naar huis, van Oost naar West in het uur waarin je altijd wel zou willen leven, ergens rond zes, precies tussen donker en licht in, tussen geweest en wat komt.

Op de trambaan ter hoogte van het Rijksmuseum maakten twee jongens in afgezakte jeans zich klaar voor een sprintwedstrijd. Ze hurkten, het afzetbeen onder de borst, twee vingers op de grond. Een derde vriend zou het startschot lossen, niet met een pistool maar met een filmklapper, ‘Action’, en sloeg zijn handen op elkaar. Hij telde drie keer af, maar er was telkens een excuus – een losse veter, kriebelhoest of koude handen – om het moment van belofte en mogelijkheid te rekken. Na de zoveelste ‘Cut’ werd er gejuicht, ze hadden niet gerend, maar wel gewonnen – het feest boven de regels.