Column

Pessimisten hoeven zich nergens voor te schamen

Na vijf jaar crisis heeft men genoeg van slecht nieuws. ‘Optimisme’ is het nieuwe toverwoord. We hebben een ‘morele plicht tot optimisme’, schreef historicus Chris van der Heijden in De Groene Amsterdammer; we moeten werken aan een ‘nieuw, collectief optimisme’, aldus Volkskrant-journalist Peter Giesen in een onlangs verschenen essay.

Er is dus behoefte aan optimisme. Sterker nog, het is er al, als we het kabinet moeten geloven. Lodewijk Asscher sprak eind december van ‘een zeker optimisme’ voor het nieuwe jaar en Mark Rutte zei vrijdag in zijn persconferentie dat mensen ‘weer perspectief zien’.

Wat zeggen deze optimismeberichten eigenlijk over ons?

Het Centraal Bureau voor de Statistiek peilt elke maand het optimisme over de economie onder consumenten. In 2007 schreef het onderzoeksbureau: ‘Optimisme heerst onder consumenten en producenten.’ Een jaar later brak de kredietcrisis uit en kon dit CBS-rapport de prullenbak in. Begin 2009 was men pessimistisch, maar in november van dat jaar berichtte het CBS dat het optimisme onder consumenten sinds april weer een stijgende lijn vertoonde. Helaas, een jaar later waren ze weer ‘somber’.

Eind november 2013 kwam dan eindelijk het goede nieuws: ‘Voor het eerst sinds het voorjaar van 2011 zijn er meer optimisten dan pessimisten.’

Wat betekent dit? Kun je mensen indelen in deze twee categorieën? En zijn er dan burgers die eind 2013 ineens van pessimist in optimist zijn veranderd?

Nog verwarrender: soms spreken de cijfers elkaar tegen. In 2011 meldde het CBS dat de consument ‘somberder over de economie’ was, terwijl hij een dag eerder volgens Maurice de Hond nog ‘optimistischer over de economie’ scheen te zijn.

Waarom hechten we zo veel belang aan deze berichten? Een optimismemelding zal misschien dienst doen als selffulfilling prophecy: mensen denken dat het goed gaat, jagen met hun spaarcentjes de economie aan, en daardoor gaat het inderdaad goed. Maar als blijkt dat geld uitgeven niet werkt, is het weer snel afgelopen met het optimisme.

Een fundamentelere vraag: waarom willen we een zo optimistisch mogelijke bevolking? Optimisme kan een realistisch oordeel in de weg staan. Zo schijnen de meeste rokers te denken dat zij in de gelukkige groep vallen die géén longkanker krijgt. Een heel ander voorbeeld van blind optimisme: in de jaren negentig werd er hartstikke optimistisch gedereguleerd en geprivatiseerd. Een beetje meer scepsis had toen geen kwaad gekund.

Natuurlijk, een samenleving kan niet zonder optimisten. Maar te veel optimisme kan schadelijk zijn. Econoom Willem Buiter waarschuwde vrijdag in NRC: mensen met schulden moeten geen nieuwe auto of woning kopen, hoe graag de optimistische Rutte dat ook wil. Ze moeten hun schulden afbetalen.

Pessimisten (wie dat ook mogen zijn) hoeven zich nergens voor te schamen. Er bestaat geen morele plicht tot optimisme. En zeker niet tot het meten ervan.