Ook genocideverdachten verdienen eerlijk proces

Rwanda is geen rechtsstaat. Rwandezen die van oorlogsmisdaden verdacht worden, moet je daarom hier vervolgen, vinden Göran Sluiter en Michiel Pestman.

Nederland heeft met Rwanda afspraken gemaakt over het terugsturen van vermeende genocideplegers. Deze door staatssecretaris Teeven (Justitie en Veiligheid, VVD) beklonken afspraken lijken het sluitstuk van jarenlange ontwikkelingshulp van Nederland aan Rwanda.

Bij Rwanda zal een ieder in eerste instantie denken aan de verschrikkelijke genocide van 1994. Personen die van deze genocide worden verdacht en die vrij rondlopen moeten natuurlijk worden vervolgd. Maar we moeten er ook voor zorgen dat een dergelijke verdachte een eerlijk proces krijgt. In Rwanda is dat niet mogelijk.

Het minder bekende verhaal over Rwanda gaat over de ontwikkelingen na 1994 in dat land, toen Paul Kagame na beëindiging van de genocide de absolute macht greep, om die niet meer af te staan. Er is een overweldigende hoeveelheid bewijs dat Kagame binnen en buiten Rwanda op grote schaal de mensenrechten schendt en internationale misdrijven pleegt. In 1996-1997, bijvoorbeeld, heeft Kagame de vluchtelingen tot in Congo achtervolgd en op zijn bevel daar door Rwandese soldaten zeker 100.000 vluchtelingen uitgemoord. Deze misdrijven zijn uitgebreid gedocumenteerd in verschillende gezaghebbende internationale rapporten, waaronder die van de Verenigde Naties.

De Belgische hoogleraar en Rwanda-expert Filip Reyntjens noemt Kagame de grootste oorlogsmisdadiger die thans nog in functie is en vrij rondloopt. Nederland – en andere landen – tonen echter weinig kritische belangstelling voor de oorlogsmisdadiger Kagame. Teeven zal hem vast hartelijk de met bloed besmeurde hand schudden. Evenmin is er aandacht voor de meer recente mensenrechtenschendingen door het Rwandese regime, zoals het vermoorden van politieke tegenstanders in het buitenland (zie NRC, 4 januari: Stapje voor stapje wordt de oppositie geëlimineerd). Deze kritiekloze houding is voor een deel te verklaren door het schuldgevoel dat Nederland met andere landen deelt over de genocide van 1994.

Voor een ander deel heeft Nederlands onvoorwaardelijke steun voor het regime van Kagame te maken met de vele miljoenen aan (juridische) ontwikkelingshulp die in dat land zijn gestoken; het is politiek moeilijk te verkopen dat dit allemaal tevergeefs is geweest.

Toch rijst de vraag hoeveel mensenrechtenschendingen er nog moeten plaats vinden voordat Teeven tot kritische inzichten komt.

Bijzonder pijnlijk voor Nederland is de recente veroordeling van Victoire Ingabire, leider van een van de grootste oppositiepartijen in Rwanda. Zij werd onlangs tot vijftien jaar cel veroordeeld, onder meer voor het zogenaamde ‘minimaliseren van de genocide’, omdat zij in een toespraak had durven zeggen dat ook Hutu’s slachtoffer zijn geweest van de genocide en dat ook hun dood moet worden herdacht. Aan het juridisch uitschakelen van Ingabire heeft Nederland meegewerkt door documenten die in haar woning in Nederland waren aangetroffen aan Rwanda over te dragen. Dit politieke proces is fel bekritiseerd door organisaties als Amnesty International en Human Rights Watch.

Het is moeilijk voor te stellen dat Teeven, ondanks alles, nu toch de banden met Kagame verder wil aanhalen. Dat is onwenselijk. Nu de Nederlandse regering niet in staat blijkt de Rwandese rechtspleging kritisch te volgen en er inmiddels miljoenen verspild zijn aan zogenaamde verbetering van de rechtsgang in Rwanda, is het aan de Kamer om in te grijpen.

Teeven zegt dat in Nederland geen plaats is voor genocideplegers. Akkoord. Maar of iemand een genocide-pleger is, zal grondig en eerlijk moeten worden uitgezocht en mag niet afhangen van de politieke motieven van Kagame. Nu dat laatste risico nog volop aanwezig is, moet de Kamer zich verzetten tegen elke vorm van overdracht van Rwandezen aan Rwanda. Dat betekent niet dat genocideverdachten vrijuit gaan. Als er voldoende bewijs is, kunnen zij zonder probleem in Nederland worden vervolgd.