Ook de vingers van de jonge Suzuki staan naar Bach

De kleine zaal van het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam herbergt sinds 2009 een bijzonder instrument: het Fokker-orgel (1950). Speciaal is dat het octaaf niet is opgedeeld in twaalf, maar in 31 tonen. Uitgangspunt hiervoor waren de ideeën van Christiaan Huygens. De toetsen zitten dicht bij elkaar, waardoor het spelen enige oefening vergt. Al kunnen de pijpen nu ook worden aangestuurd met een computer.

Zondag werd het bespeeld door Masato Suzuki (Den Haag, 1981), zoon van Bach-specialist Masaaki Suzuki. Hij bracht een programma ten gehore met zowel eigentijdse muziek als werken uit de overgangsperiode tussen renaissance en barok. En Bach. Standaardrepertoire, maar wel bijzonder als het in middentoonstemming wordt gespeeld. Door de vele modulaties klinkt de muziek vaak vals. Het hoofd probeert deze onzuiverheden te corrigeren.

Zo klonk Bach spannender dan het premièrestuk Novel Forces van de jonge Amerikaan Brendan Faegre. Dat bleek een jammerlijke warboel van microtonen. De vingervlugge Suzuki componeert zelf ook, toch lijkt hij het best tot zijn recht te komen in de oude muziek. Zijn Sweelinck was bekoorlijk. En Bach: zijn vingers staan er naar. Maar dat zit nu eenmaal in de familie.