Lezer en schrijver Vogelaar groots herdacht in ‘De Groene’

Jacq Vogelaar in 2006 (Foto Leo van Velzen)

In het laatste nummer van De Groene Amsterdammer veel aandacht voor de een maand geleden overleden criticus en schrijver Jacq Vogelaar. Vogelaar was decennia aan het blad verbonden.

Critici Cyrille Offermans, Marja Pruis, Piet Gerbrandy, Graa Boomsma, Kees ‘t Hart, Nicolaas Matsier, Johanneke van Slooten en H.C. ten Berge schreven beschouwingen over het kritische, verhalende en dichterlijke oeuvre van Vogelaar, de man die eigenlijk Frans Broers heette maar tijdens zijn volwassen leven door niemand meer zo genoemd wilde worden. Hier schrijft Offermans over:

“Jacq Firmin Vogelaar is geen gewoon pseudoniem,  ‘Vogelaar’, het pseudoniem, had de hele persoon geabsorbeerd. Buiten Vogelaar, de schrijver, bestond er niet zoiets als Frans Broers voor de vrije tijd of onder vrienden. Ik heb Jacq bijna 45 jaar gekend, waarvan 35 jaar heel goed, we waren vrienden, durf ik wel te zeggen, maar in al die jaren (…)  ging het nooit over het leven van Frans Broers.”

Pruis noemt Vogelaar “vindingrijk en uitputtend” in zijn analyses van literair werk.

“Hij opende een ogenschijnlijk hermetisch oeuvre door het niet a priori met eerbied te betreden.”

Pruis typeert de praktijk van Vogelaar als “schoon”, waarmee ze wijst op het feit dat hij “tamelijk absoluut was in zijn ideeën over wat literatuur was en moest zijn”, en dat “hij nooit gevoelscriteria hanteerde, net zo min als hij psychologisch geladen oordelen als ‘aannemelijk’ of ‘ongeloofwaardig’ in zijn besprekingen liet meespelen.”

Het was vanwege deze ‘schone’ praktijk volgens Pruis wel eens lastig om te bepalen waar Vogelaar wel enthousiast over was:

“Zijn favoriete personages, maar zo zou hij het ook niet zeggen, ik denk dat ik moet zeggen: de enige hoofdpersonen die hij zag staan, waren de neezeggers, de keldermannen, de zelfverkozen buitenstaanders, zoals die gestalte kregen bij Coetzee, Beckett, Kafka, Faulkner, Bernhard, en in zijn meest sikkeneurige vorm bij Dostojevski.”

Graa Boomsma plaatst kanttekeningen bij de vermeende ‘onleesbaarheid’ van Vogelaars prozawerk. Hij gaat daarvoor specifiek in op twee romans van Vogelaar, het vroege Vijand gevraagd, ‘n boerenroman (1967) en De dood als meisje van acht (1991), een roman die doorgaans als een toegankelijke Vogelaar wordt omschreven. Boomsma schrijft, na de twee romans te hebben geduid:

De dood als meisje van acht lazen de meeste critici als een uitzondering, een Vogelaar die concessies zou hebben gedaan en nu eens wèl te volgen was, die opeens leesbaar bleek. Maar wat betekent  ‘leesbaar’ onder critici die nauwelijks leesbereid zijn? In een Parool-interview in de herfst van 1987, vlak voor de publicatie van zijn essaybundel Terugschrijven, zei Vogelaar dat de douaniers van de Nederlandse literatuur de schrijvers in en rond het tijdschrift Raster, waarvan hij de motor was,  ‘met afgrijzen’ ontvingen.  ‘Het is niet anders dan met een vluchtelingenkamp in de provincie. Dezelfde afweer van het vreemde.’

Het dossier over Jacq Vogelaar is hier te vinden.