Krijgsheer met stropdas

Na zijn dood spraken wereldleiders dit weekend lovende woorden over Ariel Sharon (85) Maar een vredesakkoord heeft hij nooit echt nagestreefd Hij geloofde vooral in de loop van het geweer

Een joodse krijgsheer. Een houwdegen die de joodse geschiedenis kent. Zo karakteriseerde oud-militair en oud-politicus Ariel Sharon zichzelf tamelijk adequaat. Na acht jaar in een coma te hebben gelegen, stierf deze grondlegger van het moderne Israël zaterdag in een ziekenhuis bij Tel Aviv, waar hij na een reeks hersenbloedingen in januari 2006 was opgenomen.

Centraal in zijn leven stond de opbouw, verdediging en uitbreiding van de staat Israël. Sharon zag het als thuis- en eventuele vluchthaven voor alle joden ter wereld, niet als een land dat gedeeld moest worden met de Palestijnen. Voor hen was geen plaats. Zo dacht hij als soldaat, generaal-majoor, als minister op sleuteldepartementen, als premier sinds 2001.

Hij had als leider van de door hem in 2005 opgerichte partij Kadima (Vooruit) de definitieve grenzen willen trekken en van het verenigde Jeruzalem een joodse hoofdstad willen maken. Dat is hem niet gelukt. Misschien wel omdat Sharon geloofde dat er voor alle problemen van Israël, ook de geopolitieke, een militaire oplossing was. Veiligheid kwam in de eerste plaats uit de loop van een geweer, meende hij.

Bewonderd en gehaat

Hij werd daarom met grote passie bewonderd door „zijn” soldaten, door de nieuwe immigranten uit Afrika, het Midden-Oosten en de voormalige Sovjet-Unie en door rechts Israël, dat hem tot op de dag van vandaag mist. De huidige premier Netanyahu voert nu, tot afgrijzen van rechts, vredesbesprekingen met de Palestijnen.

Tegelijkertijd werd Sharon wegens zijn harde opstelling diep gehaat door Palestijnen, de bevolkingen in de Arabische buurlanden en al diegenen die zich hun lot aantrekken. Het kamp der Sharon-haters werd in 2005 uitgebreid met de religieuze zionisten in Gaza. Sharon ontruimde deze nederzettingen omdat de prijs van de verdediging van 8.000 joden tussen 1,5 miljoen Palestijnen te hoog werd.

De ontmanteling van deze nederzettingen was volgens hem noodzakelijk om Israëliërs en Palestijnen helemaal van elkaar te scheiden. Dat project, met de omstreden afscheidingsmuur als pièce de résistance, is nu een onhaalbaar idee gebleken en, belangrijker, een bron van nieuw geweld en tweespalt, ook onder de diep verdeelde Palestijnen.

Een verdrag met de Palestijnse Autoriteit, een vredesakkoord met een Palestijnse staat, heeft hij nooit actief willen nastreven. Hij zocht en vond altijd een reden om niet met hen te onderhandelen en concessies te doen.

In een van de laatste, uitgebreide vraaggesprekken naar aanleiding van de ontruiming van de 21 joodse nederzettingen in Gaza legde hij uit: „Ik haat de Arabieren niet, maar heb een diep gevoel over onze rechten in het Land van Israël.” En: „Wie onze historische en religieuze rechten betwist, moet gestraft worden, op onbuigzame wijze.” Feit is dat hij de Palestijnse aanspraken en rechten altijd ontkend heeft. De prijs – voortdurende strijd – was hij bereid te betalen, kritiek op deze opstelling deerde hem niet.

Dat scherpe bewustzijn van de betekenis van het joods-zijn kreeg hij tijdens bijbel- en Hebreeuwse lessen ingepompt van zijn vader, een zionistische leraar uit Brest Litovsk, die met zijn vrouw het communistische Wit- Rusland was ontvlucht uit vrees voor executie door de communisten.

Sharon de soldaat werd gevormd in zijn geboortedorp, Kfar Malal, in de jaren 20 van de vorige eeuw in een niet-religieuze landbouwgemeenschap. Deze moshave behoorde tot de belegerde, groeiende joodse gemeenschap in Brits Palestina.

Zoals alle jongens van zijn generatie werd hij eind 1947 gemobiliseerd en opgenomen in de Tzahal, het Israëlische volksleger dat bovengronds was gekomen. Een half jaar later raakte hij zwaargewond toen zijn peloton werd neergemaaid door Jordaanse infanteristen. Hij overleefde de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 ternauwernood en bleef vervolgens vijf jaar in het leger.

In 1953 ging hij in Jeruzalem geschiedenis van het Midden-Oosten studeren en werd hij, als reservist met uitgesproken ideeën over oorlogvoering, belast met de opbouw en de leiding van Eenheid 101. Deze commando’s roeiden het Palestijnse dorp Qibbya uit tijdens een vergeldingsactie voor de moord op een Israëlische vrouw en haar kinderen.

De internationale gemeenschap protesteerde heftig, maar premier Ben Gurion dekte hem. Deze grondlegger van Israël beschouwde de jonge officier als een agressieve joodse krijgsheer die niet belast was met het trauma van de Holocaust. In de ogen van Ben Gurion was Sharon een scherp gewet zwaard. Die rol zou hij in alle militaire operaties spelen. Sharon werd een legende in uniform tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 en de Yom Kippur-oorlog van 1973.

Tijdens beide oorlogen was Israël bevreesd vernietigd te worden en Sharon werd wegens zijn vermetele acties en beweeglijke manoeuvres met paracommando’s door de media getypeerd als een masculiene held, een redder des vaderlands.

Stap naar de politiek

Na zijn verplichte pensionering was een overstap naar de politiek onvermijdelijk. Hij had Likud gevormd, een rechtse partij. Meteen na de oorlog en verkiezingen werd hij lid van de Knesset. In 1977 werd hij minister, eerst van Landbouw en vervolgens van Defensie, in Sharons ogen de hoofdprijs.

In 1982 besloot hij met een invasie in Libanon een einde te maken aan de beschietingen door het PLO-leger van Noord-Galilea. Het begin van de Israëlisch-Libanese oorlog die tot 2000 duurde. Christelijke falangisten vermoordden, ongehinderd door Israëlische eenheden, in vluchtelingenkampen Sabra en Shatila 2.000 Palestijnen. Sharon werd tijdens een Israëlisch onderzoek indirect verantwoordelijk gesteld en moest zijn portefeuille neerleggen.

Hij bleef wel aan als minister en kreeg het ministerie van Huisvesting en Constructie. Met grote inzet steunde hij de kolonistenbeweging en verwierf zich het etiket ‘architect van de nederzettingen’. De tweede helft van de jaren 90 bracht hij als Knessetlid door in de oppositie, zich verbijtend over de Oslo-akkoorden, die leidden tot de terugkeer van Arafat en de oprichting van de Palestijnse Autoriteit. In 1998 maakte Likudpremier – en latere tegenstrever – Netanyahu hem minister van Buitenlandse Zaken, maar deze regering viel snel.

Het feit dat hij in 2000 en 2001 keiharde oppositie voerde tegen de regering-Barak (Arbeidpartij) en de door president Clinton bedachte plannen voor een gedeeld Jeruzalem en een Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever, vloeide voort uit zijn opvatting dat er met Palestijnse ‘terroristen’ alleen onderhandeld kon worden als zij Israël zouden aanvaarden en hun wapens neerleggen. Een vaag gedefinieerde Palestijnse staat moest hij in 2003 onder druk van president Bush aanvaarden.

Die verkiezing in 2001 kwam als een verrassing, want hij had zich al voorbereid op een oude dag op zijn boerderij in de Negev, waar hij kort daarvoor zijn tweede vrouw Lilly had begraven. Een terugkeer kwam er niet van. Tot vandaag, als Sharon, 85 jaar, naast Lilly zal worden begraven.