Joodse krijgsheer uit overtuiging

Hij was een compromisloos verdediger van de joodse staat. Bewonderd in Israël, gehaat bij Palestijnen.

Een joodse krijgsheer. Een houwdegen die de joodse geschiedenis kent. Zo karakteriseerde oud- militair en oud-politicus Ariel Sharon zichzelf tamelijk adequaat. Na acht jaar in coma te hebben gelegen, stierf deze grondlegger van het moderne Israël zaterdag in een ziekenhuis bij Tel Aviv, waar hij na een reeks hersenbloedingen in januari 2006 was opgenomen.

Centraal in zijn leven stond de opbouw, verdediging en uitbreiding van de staat Israël. Sharon zag het als thuis- en eventuele vluchthaven voor alle joden ter wereld, niet als een land dat gedeeld moest worden met de Palestijnen. Voor hen was eigenlijk geen plaats. Zo dacht hij als soldaat, generaal-majoor, als minister op sleuteldepartementen, als premier sinds 2001.

Hij had als leider van de door hem in 2005 opgerichte partij Kadima (Vooruit) de definitieve grenzen willen trekken en van het verenigde Jeruzalem een joodse hoofdstad willen maken. Dat is hem niet gelukt. Misschien wel omdat Sharon geloofde dat er voor alle problemen van Israël, ook de geopolitieke, een militaire oplossing was. Veiligheid kwam in de eerste plaats uit de loop van een geweer, meende hij.

Hij werd daarom met grote passie bewonderd door zijn soldaten, door de nieuwe immigranten uit Afrika, het Midden-Oosten en de voormalige Sovjet-Unie en door rechts Israël, dat hem tot op de dag van vandaag mist.

Tegelijkertijd werd Sharon wegens zijn harde opstelling diep gehaat door Palestijnen, de bevolkingen in de Arabische buurlanden en al diegenen die zich hun lot aantrekken. Het kamp der Sharon-haters werd in 2005 uitgebreid met de religieuze zionisten in Gaza. Sharon ontruimde deze nederzettingen omdat de prijs van de verdediging van 8.000 joden tussen 1,5 miljoen Palestijnen te hoog werd.

De ontmanteling van de nederzettingen in Gaza was volgens hem noodzakelijk om Israëliërs en Palestijnen helemaal van elkaar te scheiden. Dat project, met de omstreden afscheidingsmuur als pièce de résistance, is nu een praktisch en politiek onhaalbaar idee gebleken en, belangrijker, een bron van nieuwe geweld en tweespalt, ook onder de diep verdeelde Palestijnen.

Onbuigzaam

Een verdrag met de Palestijnse Autoriteit, een vredesakkoord met een Palestijnse staat, heeft hij nooit actief willen nastreven. Hij zocht en vond altijd een reden om niet met hen te onderhandelen en concessies te doen.

In een van de laatste, uitgebreide vraaggesprekken naar aanleiding van de ontruiming van de 21 joodse nederzettingen in Gaza legde hij uit: „Ik haat de Arabieren niet, maar heb een diep gevoel over onze rechten in het Land van Israël.” En: „Wie onze historische en religieuze rechten betwist, moet gestraft worden, op onbuigzame wijze.” Feit is dat hij de Palestijnse aanspraken en rechten altijd heeft ontkend. De prijs – voortdurende strijd – was hij bereid te betalen, kritiek op deze opstelling deerde hem niet.

Dat scherpe bewustzijn van de betekenis van het joods-zijn kreeg hij tijdens bijbel- en Hebreeuwse lessen ingepompt van zijn vader, een zionistische leraar uit Brest Litovsk, die met zijn vrouw het communistische Wit- Rusland was ontvlucht uit vrees voor executie door de communisten.

Sharon de soldaat werd in zijn kinderjaren gevormd en gekneed in zijn geboortedorp, Kfar Malal, in de jaren twintig van de vorige eeuw in een niet-religieuze landbouwgemeenschap. Deze moshave behoorde tot de belegerde, groeiende joodse gemeenschap in Brits Palestina.

Zoals alle jongens van zijn generatie werd hij eind 1947 gemobiliseerd en opgenomen in de Tzahal, het Israëlische volksleger dat bovengronds was gekomen. Een half jaar later raakte hij zwaar gewond bij het klooster van Latrun toen zijn peloton werd neer gemaaid door Jordaanse infanteristen. Hij overleefde de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 ternauwernood en bleef vervolgens vijf jaar in het leger.

In 1953 ging hij in Jeruzalem geschiedenis van het Midden-Oosten studeren en werd hij, als reservist met uitgesproken ideeën over oorlogvoering en afschrikking, belast met de opbouw en de leiding van Eenheid 101. Deze commando’s roeiden het Palestijnse dorp Qibbya uit tijdens een vergeldingsactie voor de moord op een Israëlische vrouw en haar kinderen.

De internationale gemeenschap protesteerde heftig maar premier Ben Gurion dekte hem. Deze grondlegger van Israël beschouwde de jonge officier als een agressieve joodse krijgsheer, niet belast met het trauma van de Holocaust. In de ogen van Ben Gurion was Sharon een scherp gewet zwaard. Die rol zou hij in alle oorlogen en militaire operaties spelen. Sharon werd een legende in uniform tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 en de Yom Kippur-oorlog van 1973.

Tijdens beide oorlogen was Israël bevreesd vernietigd te worden en Sharon werd wegens zijn vermetele acties en beweeglijke manoeuvres met paracommando’s door de media getypeerd als een masculiene held, een redder des vaderlands. Dat gold zeker voor de Yom Kippur-oorlog.

Na zijn verplichte pensionering was een overstap naar de politiek onvermijdelijk. Hij had met Menahem Begin Likud gevormd, een rechtse partij. Meteen na de oorlog en verkiezingen werd hij lid van de Knesset. Begin maakte hem in 1977 minister, eerst van Landbouw en vervolgens van Defensie, in Sharons ogen de hoofdprijs.

Libanon

In 1982 besloot hij met een invasie in Libanon een einde te maken aan de beschietingen door het PLO-leger van noord-Galilea. Zelfs Begin zou niet de draagwijdte hiervan hebben beseft. Het was het begin van de Israëlisch-Libanese oorlog die tot 2000 duurde. Christelijke falangisten vermoordden, ongehinderd door Israëlische eenheden, 2.000 Palestijnen in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Sharon werd in een Israëlisch onderzoek indirect verantwoordelijk gesteld en moest zijn portefeuille neerleggen.

Hij bleef wel aan als minister en kreeg vervolgens het ministerie van Huisvesting en Constructie. Met grote inzet steunde hij de kolonistenbeweging en verwierf zich het etiket ‘architect van de nederzettingen’. De tweede helft van de jaren 90 bracht hij als Knessetlid door in de oppositie, zich verbijtend over de Oslo-akkoorden, die leidden tot de terugkeer van Arafat en de oprichting van de Palestijnse Autoriteit. In 1998 maakte Likudpremier – en latere tegenstrever – Netanyahu hem minister van Buitenlandse Zaken, maar deze regering viel snel.

Het feit dat hij in 2000 en 2001 keiharde oppositie voerde tegen de regering-Barak (Arbeidpartij) en de door de Amerikaanse president Clinton bedachte plannen voor een gedeeld Jeruzalem en een Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever, vloeide voort uit zijn opvatting dat er met Palestijnse ‘terroristen’ alleen onderhandeld kon worden als zij Israël zouden aanvaarden en hun wapens neerleggen. Een vaag gedefinieerde Palestijnse staat moest hij in 2003 onder druk van president Bush aanvaarden. Een relatief kleine prijs voor de waardevolle steun van de Amerikaanse president (en het Congres), die de facto de verjoodsing van Jeruzalem, de uitbreiding van de nederzettingen en de de facto annexatie van de Jordaanvallei aanvaardde.

De verkiezing tot premier in 2001 was een verrassing. Hij had zich al voorbereid op een oude dag op zijn boerderij in de Negev, waar hij kort daarvoor zijn tweede vrouw Lilly had begraven. Daarnaast ligt het graf van Sharons eerste echtgenote Gali, een zuster van Lilly, die in 1962 bij een auto-ongeluk overleed, en daarnaast het graf van Gur, het tienjarig zoontje dat in Sharons armen stierf („het grootste drama van mijn leven”), na een ongeluk met een antiek geweer.

Vaak droomde hij hardop van een leven als herenboer in de Negev. Hij liet zich er vaak filmen en fotograferen als hij te paard of op de tractor zijn vee inspecteerde. Dat was niet alleen maar politieke spielerei. De Sycamore-ranch, vlakbij de Gazastrook, was zijn veilige haven. Maar toch stelde hij een besluit zich er definitief terug te trekken telkens uit. Israël, nog altijd onaf en formeel in staat van oorlog met twee van de vier Arabische buurlanden, kwam altijd op de eerste plaats.