Prehistorische mannen waren werpers

Skeletten van prehistorische mannen – maar niet die van vrouwen – vertonen dezelfde beschadigingen aan de elleboog als professionele honkballers. In ellebogen uit latere tijden worden deze beschadigingen, die veroorzaakt worden door vaak werpen of hameren, nauwelijks meer teruggevonden. Dit blijkt uit een analyse van beschadigingen aan peesaanhechtingen van de elleboog bij 308 skeletresten uit de prehistorie (van de IJstijd tot circa 3.000 jaar voor Christus) en 953 uit latere tijden (Romeinse tijd tot nu). De studie verscheen in het Journal of Archaeological Science (online, 3 januari).

Waarschijnlijk betekent deze bevinding dat prehistorische mannen veel wierpen tijdens de jacht. In ieder geval wijst het op een duidelijke werkverdeling tussen man en vrouw. Deze beschadiging van pezen in de elleboog wordt in de moderne tijd alleen aangetroffen in heel specifieke beroepen, zoals honkbalwerpers en timmerlieden die extreem veel hameren. Het is iets anders dan de ‘gewone’ tennisarm, die ook in het verleden vaak voorkwam. Om te corrigeren voor schade die door algemene bewegingen ontstaat, bekeken de onderzoekers, een Franse antropologe en een Engelse archeoloog, de verhouding tussen ‘werpersarm’- en ‘tennisarm’-beschadigingen.