Ga zelf maar eens naar Afghanistan, Mega Maggie

Uitgeprocedeerde Afghanen demonstreren tegen het asielbeleid van België. Staatssecretaris Maggie De Block is streng.

Ruim tweehonderd jonge Afghanen voeren in het Vlaamse Pajottenland actie tegen uitzetting. Foto’s Ivan Put

Door het sacrale Vlaamse Pajottenland, een streek in Vlaams-Brabant, trekken in het weekend normaal gesproken wielercoureurs zwetend de heuvels op. Op de parking bij ’t Friethuis zijn ze dan ook verbaasd als in de verte een groep schreeuwende wandelaars in beeld komt. Voorop in de stoet een wagen met geluidsboxen op het dak. „Wij stappen door!” klinkt het luid. „Wij vragen recht op leven!”

Achter de auto aan marcheren ruim tweehonderd jonge Afghanen, sommige uitgerust met rugzak en matje.

„Ze hebben ons niet gewaarschuwd”, zegt een Vlaamse dame in de berm. Maar ze begrijpt al snel waar het over gaat. „Het is zeker die Afghanen-mars? Ik had er op tv van gehoord. Mijn steun krijgen ze. Plaats genoeg hier in België.”

Het is dag één van de driedaagse mars waarmee uitgeprocedeerde Afghanen de Belgische politiek onder druk willen zetten. Ze worden bedreigd met uitwijzing, want „staatssecretaris voor asiel Maggie De Block zegt dat ons land veilig is”, zegt de Afghaanse man Moshadaaq in vloeiend Frans. Hij woont al vijf jaar in België, de laatste maanden in de Brusselse Begijnhofkerk die onderdak biedt aan Afghaanse families.

„We hebben onze vrouwen en kinderen in de kerk achtergelaten”, zegt Moshadaaq. „Het is te koud en te zwaar voor hen.”

Onder een spandoek met de tekst ‘Wij zijn niet gevaarlijk, ons lánd is gevaarlijk’ loopt Riet Dhondt van het Vlaamse Steuncomité Afghanen. „We liepen net door Merchtem waar de broer van de staatssecretaris burgemeester is. We mochten er van hem geen lunchpauze houden.” Ze kookt nog altijd van woede. Maar er zijn ook goeie mensen in Merchtem, zegt Dhondt. „Een familie die daar jaarlijks Nieuwjaar viert stelde op het laatste moment hun feestzaal ter beschikking. ‘Dan beginnen wij wel een paar uur later met drinken’, zeiden ze. Prachtig toch?”

Het Afghanen-dossier bezorgde staatssecretaris De Block de bijnaam Mega Maggie. Geen draaikont, zoals al die andere politici, vindt De Blocks aanhang.

De uitwijzing vorig jaar van de Afghaanse loodgieter Navid uit Wielsbeke werd een mediarel. Moest er voor deze illegale, maar volledig ingeburgerde jongen geen uitzondering worden gemaakt? „Ik ben geen Romeinse keizerin, regels zijn regels”, was de ferme uitspraak van De Block die, met de Belgische verkiezingen in mei op komst, is uitgegroeid tot de populairste politica van Vlaanderen.

Maar afgelopen week liep haar imago een deuk op na een fel bekritiseerd mediaoptreden. Of ze wakker ligt van het terugsturen van mensen naar een land-in-oorlog, werd haar gevraagd. „Hier is het ook niet altijd een veilige situatie, u moet hier ’s avonds maar eens buiten komen”, antwoordde de staatssecretaris.

„Een schandalige uitspraak”, vindt een studente uit de Duitstalige Oostkantons die als sympathisant meeloopt in de mars. „Als je Belgische soldaten in Afghanistan inzet, kun je onmogelijk stellen dat het daar veilig is. We hebben daarom onderweg bij het huis van De Block een nep-vliegticket naar Afghanistan afgeleverd. Ze moet daar zelf maar eens gaan kijken.”

Tegen de oranje avondlucht doemt het silhouet op van de abdij van Affligem waar de groep de avond door mag brengen. „Iedereen heeft recht op een goed leven”, zegt een gepensioneerde Vlaming langs de weg. „Maar tegelijk begrijp ik onze staatssecretaris. Wij voelen ons hier in Pajottenland al lang niet veilig meer.” Zijn vrouw knikt instemmend. „Ge ziet ’t aan de kleur niet meer wie ’t zijn hé. We hebben hier van alles, van Polen tot Afrikanen en Aziaten. Er wordt ingebroken als mensen hun kinderen van school halen.”

„Onzin, ze zijn hier meer dan welkom”, zegt een man verderop. Naast hem op het erf staat zijn in Congo geboren schoonzoon, gestoken in blauwe overall. „Ik kwam twaalf jaar geleden in België en ik weet wat het is om uit de misère te komen. Die Afghanen verdienen eenzelfde kans als ik.”

In de deuropening van de Affligemabdij kijkt de boomlange monnik Frits toe hoe de Afghanen vermoeid zijn terrein naderen. De befaamde bierbrouwerij van Affligem is al lang overgenomen door Heineken. „Wij zitten hier nog maar met twaalf monniken”, zegt Frits, zelf een immigrant. „Ik kom uit Den Haag.” Frits heet de Afghanen welkom. „Daar ben je christen voor.”

In de keuken van het aanpalende cultuurhuis bereiden vrijwilligers kip en rijst voor de Afghanen die aan lange tafels plaatsnemen. „Ik ben op de vlucht gegaan voor mijn opa, baas van de Talibaan in de streek waar ik vandaan kom”, zegt Elyas. Op z’n zestiende is hij via Iran en Turkije binnengekomen in de Europese Unie. Dat was vier jaar geleden. „Als ik word teruggestuurd val ik in opa’s handen. Hij wil van mij een fundamentalist maken.”

En dan klinkt er plots oorverdovend gejuich. „Leve de monseigneur!” schreeuwen de jongens, als aartsbisschop Léonard omringd door camera’s de bomvolle eetzaal betreedt. Hij houdt zijn jas aan, „want ik hoor eigenlijk in bed te liggen, ik ben zo ziek als een hond”. Eén van de Afghanen geeft hem een zoen op de wang. De monseigneur wordt er wat verlegen van.

„Ik pleit vurig voor het stopzetten van de uitwijzingen”, zegt Léonard. „Ik roep mijn landgenoten op om na te denken over het lot van mijn dierbare Afghaanse broeders en zusters.”

Zijn steunbetuiging ligt toch politiek gevoelig, wordt Léonard bij vertrek gevraagd. „Voor De Block is het geen gemakkelijk dossier”, zegt hij. „Maar zij doet haar job, ik de mijne.”