Er broeit iets op de Amsterdamse scholen

De strenge aanpak van slechte basisscholen heeft succes, maar leraren vinden de gemeente te bemoeizuchtig.

Was dat nou wel zo handig? Om over alle Amsterdamse basisscholen een boek te verspreiden dat Goed onderwijs heet, met een voorwoord dat mede ondertekend is door wethouder Pieter Hilhorst, en waarin staat dat dit boek „een beredeneerd kader (is) van waaruit alle betrokkenen bij het basisonderwijs in Amsterdam kunnen werken”? Goed onderwijs is opgesteld door de mensen die net vijf jaar lang als de stoottroepen van de gemeente hebben gefungeerd om de zwakke scholen in de stad op niveau te brengen.

Is het dan gek dat onder leerkrachten, directeuren en zelfs bij sommige schoolbestuurders het idee is ontstaan dat de gemeente Amsterdam niet langer een norm handhaaft, maar een systeem wil opleggen? En nu niet alleen aan de zwakke, maar aan álle scholen. „Je wordt behandeld alsof je een patiënt bent, maar we zijn niet allemaal ziek”, zegt een leerkracht.

Er broeit iets in het Amsterdamse basisonderwijs. „Ik herken die gevoelens”, zegt Hilhorst. En ook Diane Middelkoop ziet dat onder directeuren en leerkrachten het beeld is ontstaan dat de gemeente zich te veel met het onderwijs bemoeit.

Als voorzitter van het Breed Bestuurlijk Overleg (BBO) maakte zij namens de schoolbesturen in oktober met de wethouder afspraken over een vervolg op vijf jaar ‘Kwaliteitsaanpak Basisscholen Amsterdam’ (KBA). Het aantal zwakke scholen is in die tijd teruggebracht tot welgeteld vier – een prestatie die alom wordt geprezen. Middelkoop wijst erop dat niet alleen scholen die volgens de onderwijsinspectie zwak waren, hebben meegedaan, maar ook scholen die volgens de inspectie goed waren. Van haar eigen ASKO-scholen was er maar één zwak, toch hebben 16 van de 33 scholen van het scherpe oog van de KBA gebruik gemaakt. Maar het moet ook een keer afgelopen zijn, zegt Middelkoop nu. „Wij zijn als scholen zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs.”

Afgelopen oktober is de KBA in zijn oude vorm afgesloten, maar gemeente en scholen zijn daarbij overeengekomen dat de resultaten ervan moet worden „geborgd”, zoals Hilhorst zegt. „En nu gaat fase 2 in: hoe zorg je dat de scholen van ‘voldoende’ naar ‘goed’ gaan? We zijn het aan onze kinderen verplicht het beste uit hen te halen.”

Daar is iedereen in het onderwijs het mee eens. De vraag is alleen of dat aan de hand van een bureau moet gebeuren dat weliswaar van een onafhankelijke stichting is, maar waarvan de gemeente een van de drie bestuursleden voordraagt en 75 procent van de kosten voor haar rekening neemt. Het nieuwe bureau, deze maand begonnen, is inmiddels op aandringen van mensen uit het onderwijs omgedoopt van Kwaliteitsbureau Amsterdam in Kwaliteitsondersteuningsbureau Amsterdam.

Hilhorst onderstreept, net als Middelkoop, dat dit nieuwe bureau, anders dan zijn voorganger, per school adviezen gaat geven, en dat doet op verzoek van de school zelf. „De scholen vragen het bureau wat zij nodig hebben – niet andersom.”

Als het werkelijk louter ondersteuning is, zeggen kritische onderwijzers en schoolleiders – en ze willen anoniem blijven omdat ze denken dat hun schoolbestuur hun de kritiek zal kwalijk nemen – waarom verplicht dan bijvoorbeeld Middelkoops eigen ASKO-bestuur de schoolleiders allemaal tot een cursus Zelfevaluatie volgens KBA-normen? En waarom is degene die op haar scholen de ondersteuning komt geven, een van de oud-inspecteurs die ook voor de ‘oude’ KBA werkte? Middelkoop: „Wat maakt het nou uit wie die cursus geeft? Al is het Pietje Puk.”

Het model van het KBA is dwingend, zegt een directeur. „Wij moeten ons eigen onderwijs evalueren door de bril van het KBA. Zij vertellen je precies hoe het moet. Ik word als een kleuter toegesproken.”

Ook enkele schoolbesturen hebben lucht gegeven aan hun twijfels. Middelkoop: „Het BBO heeft zich hieraan verbonden, dus je mag ervan uitgaan dat de meerderheid erachter staat.” Zolang het idee bestaat dat het bemoeienis van buitenaf is, zegt Hilhorst, zal het niet lukken.

Directeuren en onderwijzers maken zich vooral zorgen over de nadruk die op toetsen wordt gelegd. In de ‘kijkwijzer’ die in Goed onderwijs is opgenomen, is een van de criteria waaraan een goede school moet voldoen: „Neemt regelmatig toetsen af.” Gisteren bleken de critici in Hilhorst onverwachts een medestander te vinden. Als PvdA-lijsttrekker stemde hij tijdens een verkiezingsdebat in met de stelling: „De toetscultuur op de basisscholen is doorgeschoten.”