Uit Laren of uit de Schilderswijk, iedereen bezoekt de lommerd

Het zijn gouden tijden voor pandhuizen. Ook mensen met hogere inkomens komen nu hun sieraden en tafelzilver belenen.

Met grote, bonkige passen loopt Ronald (48) de Stadsbank van Lening in het centrum van Amsterdam binnen. Negen maanden geleden leende hij hier 280 euro, met een gouden ketting als onderpand. Nu komt hij zijn belening verlengen, afbetalen doet hij liever nog niet. Hij is werkloos, vorig jaar raakte hij door bezuinigingen zijn baan kwijt als onderhoudsmedewerker bij de gemeente Zaanstad. Hij werkte er twintig jaar. Nu zit hij in de bijstand, zijn vrouw heeft wel werk.

De ketting beleende hij omdat hij geld nodig had. „Ik moest rekeningen betalen. En de kinderen willen ook wel eens op vakantie.” Hij had het nog nooit eerder gedaan. Het principe is simpel. Je krijgt contant geld mee als je waardevolle spullen, zoals sieraden, in onderpand achterlaat. Zodra je het geleende bedrag en de rente terugbetaalt, kun je het pand weer meenemen.

Ronald is aan de beurt. De baliemedewerkster van de Stadsbank vertelt dat hij uiterlijk 2 januari had moeten verlengen, hij is zes dagen te laat. ‘Vervaldatum = laatste datum!’ staat op een bord in de wachtruimte. De vrouw is onverbiddelijk.

Ronald kan niks meer doen, het goud wordt waarschijnlijk gesmolten. Het is een klein persoonlijk drama, hij had de ketting later aan een van zijn twee kinderen willen geven.

Met Mercedes naar het pandhuis

Door klanten als Ronald is het steeds drukker bij de pandhuizen: mensen die werk en inkomen hadden, maar nu acuut geld nodig hebben. Pandhuizen floreren door de economische crisis. Het aantal beleningen is de afgelopen jaren fors gestegen bij de enige twee gemeentelijke pandhuizen, in Amsterdam en Den Haag.

De omzet van de Stadsbank van Lening in de hoofdstad ging van 130 miljoen euro in 2010 naar zo’n 187 miljoen in 2012. De Gemeentelijke Kredietbank in Den Haag deed het ook goed: van 23 miljoen euro vijf jaar geleden naar 45 miljoen vorig jaar. Samen zijn de twee gemeentelijke lommerds goed voor zeker 70 procent van de Nederlandse beleningsmarkt.

Die groei wordt deels veroorzaakt door een groep die je niet zo snel zou verwachten bij de pandhuizen: mensen met hogere inkomens. Er zijn mensen die in een BMW of Mercedes bij een pandhuis aankomen, zegt directeur Rob Jeursen van de Stadsbank van Lening, die dit jaar 400 jaar bestaat. Gekscherend: „Er zijn klanten die door een chauffeur naar onze filialen worden gebracht.” De groei onder die groep is niet heel groot, zegt Jeursen, maar er is wel duidelijk een verandering. Ook hogere inkomens voelen de crisis.

In Amsterdam is er een kleine verschuiving naar klanten uit betere buurten, zo bleek uit een postcodeanalyse in 2012. Het aantal klanten uit de stadsdelen Centrum en Zuid nam toe. De verklaring van Jeursen is dat „ook die groep mensen” het door de crisis moeilijker heeft. „Vroeger hadden ze veel geld, nu minder, maar ze blijven met die hoge lasten zitten.”

Leven van andermans ellende

Ook bij de commerciële pandhuizen komen vaker welgestelden. „Wij hebben klanten uit alle lagen van de bevolking: de bijstandsmoeder en iemand uit Wassenaar en alles wat daar tussenzit”, zegt directeur Jan Meijer van Pandhuis Haaglanden in Leidschendam. „Je kan wel in een huis van een miljoen wonen, maar als je de hypotheek niet kan betalen, heb je toch een probleem”, zegt hij. „Of je nu in Laren woont, of in de Schilderswijk in Den Haag: als je meer geld moet uitgeven dan je binnenkrijgt, zal je toch iets moeten doen.”

Meijer heeft onder anderen architecten als klant. „Ze komen tafelzilver belenen, of het horloge van opa. En dan hopen op betere tijden.” Het aantal beleningen bij het Pandhuis Haaglanden is de afgelopen jaren met ruim 30 procent gestegen, schat Meijer. „Plat gezegd leven wij natuurlijk een beetje van de ellende van iemand anders.”

Het taboe om bij een pandhuis gezien te worden lijkt verdwenen, zegt Jan van der Hulst, hoofd van de Haagse Gemeentelijke Kredietbank, die in 1673 werd opgericht. „Vroeger schaamden mensen zich, nu gaan ze makkelijker over die drempel heen.” Dat heeft volgens hem onder meer te maken met tv-series over het onderwerp. Zoals Even krap bij kas, een realityserie waarin de dagelijkse gang van zaken bij verschillende pandjeshuizen wordt gevolgd.

Vroeger waren er tientallen gemeentelijke pandhuizen, nu zijn er nog maar twee. Commerciële ondernemers zijn in dat gat gesprongen. Uit onderzoek uit 2009 in opdracht van het ministerie van Financiën blijkt dat er zeker 58 pandjeshuizen zijn; waarschijnlijk is het aantal de afgelopen jaren verder gestegen. Bijna alle ondernemingen zijn na 2000 gestart. Ze zitten vooral in de Randstad, in plaatsen met een relatief groot percentage huishoudens met een laag inkomen, zoals Rotterdam.

Breitling belenen

Een van de grote commerciële bedrijven is Used Products. In 1997 opende dat de eerste vestiging in Alkmaar, nu zijn er 51 filialen in Nederland en 6 in België. In- en verkoop van tweedehands spullen is hun belangrijkste handel. Belenen doen ze ook, maar op een iets andere manier dan gemeentelijke pandhuizen. Ze bieden klanten een terugkoopregeling aan: je krijgt tijdelijk contant geld voor het product, met de mogelijkheid het eigendom binnen 28 dagen weer terug te kopen. Het belangrijkste verschil: bij een ‘echte’ belening blijft de klant eigenaar van het pand mits hij op tijd betaalt, bij verkoop met recht op terugkoop wordt het pandhuis eigenaar van het voorwerp.

Bij Used Products komen onder meer gouden sieraden, laptops, muziekinstrumenten, computers, fietsen, scooters en telefoons in aanmerking. Spullen zijn terug te kopen met een rente van 20 procent, het is mogelijk je termijn te verlengen. „We hebben een leemte in de markt opgevuld”, zegt Bas Hofte, mede-eigenaar van Used Products.

Door de opkomst van onlinemarktplaatsen is het normaler om iets tweedehands te kopen, denkt hij. Alles komt langs in de winkel, zegt hij: een moeder die een spelletje koopt voor haar kind, een advocaat die zijn Breitling beleent.

Terug naar de Stadsbank van Lening in Amsterdam. Een 43-jarige vrouw loopt de wachtruimte in. Ze komt haar gouden sieraden ophalen, sinds 2009 had ze die keer op keer herbeleend. Ze zat in die tijd regelmatig krap, omdat haar man een longziekte had, waardoor zijn inkomen wegviel. Ze beleende 400 euro. Met haar man gaat het inmiddels weer beter, hij zit in de auto op haar te wachten.

Financieel gaat het ook weer goed. Ze kijkt opgelucht als ze haar sieraden weer heeft. „Hopelijk hoef ik hier nooit meer terug te komen.”