Column

Marcel Oren

‘Verstopte oren!”, schreeuwde de huisarts na een kort onderzoek. „Er zitten proppen in de gehoorgang. Hoe ouder je wordt, hoe meer oorsmeer je aanmaakt.”

Ze verwees me naar de assistentes achter de balie, twee studentes met hoofddoek wier werkzaamheden zich beperkten tot het aanstippen van wratten en het uitspuiten van oren. De kleinste van de twee ging zuchtend met mij aan de slag. Vier keer spoot ze lauw water in mijn oor, maar er kwam niets uit. Met het advies een week later terug te komen en in de tussentijd driemaal daags olijf- of zonnebloemolie in mijn oren te druppelen werd ik weggestuurd.

Gisteren was ik gevraagd om de nieuwjaarsreceptie van de Raad voor de Rechtspraak op te leuken met een voordracht. Ik had daarvoor eerder een paar uurtjes meegelopen met een rechter in Amsterdam. Het gesprek op zijn werkkamer ging nog – hij stond met de poten in de klei van de samenleving, de hobby’s waren wandelen en lezen – maar van de rechtszaak die ik bijwoonde kreeg ik weinig mee, behalve dan dat de verdachte een huilbui kreeg.

De dagen erna bleef ik maar olijfolie in mijn oren gieten, of het daar aan lag weet ik niet, maar gisteren hoorde ik bijna niets meer. Ik stond met een verhaal over een rechter die ik niet had verstaan in de binnenzak op de nieuwjaarsreceptie van de Raad voor de Rechtspraak, waar ik werd voorgesteld aan de voorzitter, een man met een hoornen bril in driedelig pak.

Toen ik wat zei, deinsde hij achteruit.

Als je niets verstaat weet je zelf ook niet hoe hard je praat.

„Mijn oren zitten verstopt!”, zei ik.

Daarna wilde de organisatrice van dienst me meenemen naar minister Ivo Opstelten, dat wist ik te voorkomen.

Ik ging in een hoekje koffiedrinken en knikte vriendelijk naar de mensen die passeerden. Af en toe blies ik mijn wangen vol en stopte tegelijkertijd de vingers in mijn oren, in de hoop dat het dan overging. De dagvoorzitter, ook een rechter, keek me vanaf een afstandje met open mond aan. Ik moet een vreemde indruk hebben gemaakt.

Van het feestlied van het muziekgroepje en de speeches verstond ik niets, van mezelf daarna ook niet, maar het was in ieder geval ‘luid en duidelijk’ schreeuwde een rechter me later in het gezicht.

Na afloop voerde ik gesprekken met topambtenaren en rechters waarvan ik niets verstond. Na het derde glas wijn een korte plop, daarna hoorde ik opeens van alles. Onder andere een vrouwelijke rechter die zei dat ze ‘die dove jongen’ zo grappig vond.

Bij het weggaan riepen ze allemaal heel duidelijk aardige dingen in mijn gezicht, ik heb dat maar zo gelaten.