Lustig

Fictie

Elke week staat hier een fictieverhaal. Deze week: een fragment uit het romandebuut

Het feest van de eeuw

van Judith Eiselin.

In weerwil van zijn vormelijke manieren at Jacob, de nieuwe bewoner van ons studentenhuis, als een wolf. We zaten aan de pingpongtafel in de grote kamer, hij aan de ene kant van het netje, samen met Raaf, ik aan de andere, naast Froukje die met een schuin oog in de opengeslagen syllabus naast haar bord bleef lezen. Jacob veegde met zijn mes telkens een keurige hap op zijn vork, maar verslond die vervolgens gulzig, grommend en morsend. Nog voor wij ons bord leeg hadden, hield hij het zijne al weer bij. Gelukkig had ik veel gekookt.

Raaf bleef Jacob hardnekkig ‘Nieuwe Jongen’ noemen. ‘Nieuwe Jongen, wil jij wijn? Of bier? Froukje hier drinkt eens per week een druppel bloed uit de nek van een argeloze archivaris of medestudent in haar geliefde universiteitsbibliotheek, dat is zat, om haar overeind te houden. En Elise, dat is deze hier dus, met dat veel te lage truitje, drinkt melk. Mel-luk. Dat drinkt ze altijd. Ze lust geen drank. Ze is eigenlijk nog maar een klein Liesje-piesje.’

Raaf en ik blonken samen in twee dingen uit: seks en ruzie. Af en toe was het zelfs de vraag waar het een ophield en het ander begon. Hij had me wakker gekust uit de winterslaap die mijn jeugd in de provincie was geweest. Alles bruiste, borrelde, bonsde en gistte ineens, ik had nooit eerder zo intens geleefd, maar ik vroeg me wel af of we het lang zouden uithouden. Ik werd doodmoe van zijn kritische blik. Over alles had hij een mening, op iedereen leverde hij commentaar. Het ergerlijkst was het stangen dat hij soms deed. Zoals nu.

‘Nieuwe Jongen, mag ik de ketchup?’

Natuurlijk moest er weer ketchup op het eten dat ik had gekookt. Niets was ooit goed genoeg.

Hij priemde een vuile vork in Jacobs richting.

‘Heb jij een vriendin?’

‘Hè, Raaf’, zei ik. Wie vroeg er nou zoiets, aan zo iemand.

Jacob lachte maar zo’n beetje. ‘Een vriendin? Nou nee hoor, niet in die mate.’

‘Nee?’ zei Raaf, ‘wat jammer zeg, en hoe komt dat zo?’

Alsof je niet op een kilometer afstand kon zien dat Jacob nog maagd was. Hij was het soort jongen dat in schoolpauzes vrijwillig in het natuurkundelokaal rondhing.

‘De eerste keer dat ik een tiet zag was in een vakantie,’ verklaarde Raaf.

‘Hè, Raaf’, zei ik weer.

‘Eén zogenaamd vriendinnetje had ik tot dan toe gehad. Maar die deed het liever met een Pritt-stift dan met mij. Echt waar. Ik kwam er nauwelijks in bij haar.’

Raaf had al eerder verteld dat hij heel onervaren was; ik wist niet of ik dat moest geloven. Hij was zo bekwaam in bed, alsof hij op talloze vrouwen had geoefend. Maar misschien was hij een natuurtalent.

Het natuurtalent schoof zijn stoel dichter bij Jacob.

‘Weet je waar ik die tiet zag?’ vervolgde hij op samenzweerderige toon. ‘In Italië. Iwan en Maurits, die hier ook wonen, en ik, waren aan het Interrailen. Het meisje heette, hoe heette ze ook alweer, o ja! Henrike Lüstig, uit Frankfurt. Echt waar. Lüstig. Mooi hè. Ik kwam haar tegen in het washok van een camping. Ze had niet veel hoor, van voren, maar ik vond het mooi zat. Ik stroopte haar hemdje omhoog en sluit mijn lippen om haar tepel, innig weet je wel, zacht, met beleid, terwijl ik zowat die hele slaapzak aan flarden reet met mijn steigerend lid… En raad eens wat ik proefde?’

‘Hè, Rááf’, zei ik voor de derde keer. ‘Kom op nou.’

‘Haar! Er zat een hele krans omheen! Die tepel lag ingebed in het haar als een hondendrol in het gras. Ik wist niet hoe gauw…’

‘Dat kan niet’, zei ik. ‘Zo erg kan het niet geweest zijn.’

‘Het zou niet moeten kunnen, maar het kon, Eliesje’, ging Raaf door. ‘Ik heb het toch zeker zelf meegemaakt. Ik wist niet hoe gauw ik die slaapzak uit moest komen. De rest van de vakantie heb ik haar – háár, begrijp je – gemeden als de pest. Lüstig!’

Jacob sloeg zich op de knieën van het lachen. Vond hij het echt grappig? ‘Over haar gesproken’, begon Raaf alweer. ‘Bij mij op school zat een meisje, man, dat was ook iets… Benen als de jungle. En toen waren net die driekwartbroeken in de mode, en wat deed ze? Ze schoor haar benen precies tot op de rand van haar broekspijpen. Dus loop ik op het schoolplein naar haar toe en sjor zo ineens die broekspijpen omhoog!’

Ik legde met een klap mijn bestek neer. Was dit de jongen die ik mijn hals liet likken, en nog wel meer ook? Hoe hij nu naar me keek!

‘Eliesje’, zei hij met de slome stem die hij voor dit soort momenten reserveerde. ‘Dit is niet gezellig… voor Jacob hier. Moet dit nu?’

‘Ja, dit moet nu’, schreeuwde ik. ‘Jij begint toch zeker. Met je gemene gore praatjes! En noem me geen Eliesje!’

Het was een tijdje stil.

Froukje, naast me, kauwde, slikte, kauwde, slikte en keek nog altijd in haar syllabus. Waarom zei ze niets? Zij was toch zeker ook een meisje? Iets van solidariteit, iets van zusterschap en feminisme, dat waren we toch zeker verplicht aan onze seksegenoten, aan elkaar? Wat een stijve hark was ze toch.

Jacob vond ook dit verhaal van Raaf schijnbaar reuzegrappig. Nou goed. Hij hoorde het voor het eerst, voor mij was dit het zoveelste vrouwonvriendelijke haar-verhaal van Rafaël. Vrouwen en beharing vormden een obsessie voor hem, net als poep en ziektes.

‘Maar lief Liesje-leerde-Lotje-lopen, waar maak je je toch zo druk om?’ zei Raaf. ‘Jij hébt toch helemaal nergens haar behalve op je hoofd en wie weet… een mooi net driehoekje elders?’ Hij kwam achter mijn stoel staan en maakte aanstalten zijn handen in mijn T-shirt te laten glijden. Ik kwam zo snel overeind dat mijn stoel omviel.

‘Rot op! Gestoorde oversekste… seksist!’

‘Achterlijke zeiktrut!’ brulde Raaf direct even driftig terug. ‘Humorloze zeiktrut! Ja, loop maar weg. Ga maar weer gauw uithuilen bij pappie en mammie!’