Laten we in de EU twisten over WOI

Miljoenen sneuvelden. Maar waar gíng die Eerste Wereldoorlog ook weer over? Honderd jaar later is Europa daar nog altijd niet over uit, schrijft Geert Buelens. Terwijl kortzichtige electorale, en dus nationale belangen opnieuw prevaleren, is gezamenlijke herdenking juist nodig.

Ach, wat leek het ooit overzichtelijk. De Eerste Wereldoorlog was een onbegrijpelijke slachtpartij, de Tweede de ultieme triomf van Goed over Kwaad en de Europese Gemeenschap (later: Unie) de definitieve pacificatie van het nationalisme en revanchisme dat het continent tot twee keer toe tot de rand van de afgrond had gebracht. Terwijl Europa de verdediging van haar geopolitieke belangen uitbesteedde aan de Verenigde Staten droomden wij onze pacifistische droom. In onze naam geen tanks en raketten, in onze naam alleen de verspreiding van mensenrechten, melkpoeder en democratie. Het einde van de geschiedenis leek inderdaad nakend, en onze gedeelde ervaring en opvatting van de twee wereldbranden waren bepalend voor de ontwikkeling van dit heilsverhaal.

Toen de Europese Unie tot veler verbazing en cynisch jolijt de Nobelprijs voor de Vrede ontving kregen eurocraten en vergrijsde staatslieden er geen genoeg van te verwijzen naar de manier waarop twee wereldoorlogen het continent hadden verscheurd. Aan die gruwel had de Europese integratie toch maar mooi een eind gemaakt. Van een verenigd Europa kan vandaag echter geen sprake zijn. Het Zuiden kreunt in gaarkeukens en stempellokalen onder Brusselse en Berlijnse dictaten. In Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Nederland maken, aldus The Economist, lokale Tea Parties zich op om straks bij de Europese verkiezingen het Europese establishment een forse tik uit te delen. Dat in dit klimaat blijkt dat er over het Europese verleden helemaal geen consensus is, mag niet verbazen. De vraag is dan hoe hiermee om te gaan. De Europese Commissie kiest nu blijkbaar voor de weg van de minste weerstand: er komt geen officiële herdenking van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog want in de verschillende lidstaten heeft ‘2014 heel verschillende betekenissen’.

Wat een gemiste kans. Als de Commissie ooit meer wil zijn dan het altaar van de kille bureaucratie, dan grijpt ze de nu heersende herdenkingsmanie aan om met alle Europeanen het debat aan te gaan over die verschillen. Natuurlijk is de betekenis van de Eerste Wereldoorlog allerminst eenduidig. Polen en de Baltische staten, bijvoorbeeld, danken er hun onafhankelijkheid aan – zij zullen niet snel geneigd zijn de oorlog zinloos te noemen. De forse polemiek die de afgelopen week in de Britse media werd gevoerd maakt duidelijk dat er ook binnen lidstaten bepaald geen overeenstemming bestaat over die betekenis. En dat lijkt me heel gezond. De kwaliteit van een democratie kenmerkt zich onder meer door de hoeveelheid onenigheid die ze (op vreedzame wijze) kan laten bestaan.

Niet dat het er de afgelopen week zachtzinnig aan toe ging. Michael Gove, de conservatieve minister van Onderwijs, haalde in The Daily Mail scherp uit naar linkse academici die volgens hem de Eerste Wereldoorlog cynisch reduceren tot wat er in de satirische tv-klassieker Blackadder werd getoond: een absurd conflict waarbij snobistische officieren tegen beter weten in miljoenen onschuldige jongens de dood injoegen. Daarmee doen ze, aldus Gove, de herinnering aan die miljoenen soldaten oneer aan, die hun leven gaven in een uiteraard tragisch, maar allerminst futiel conflict. Uit liefde voor vrijheid en vaderland versloegen deze moedige strijders immers het verfoeilijke Pruisische militarisme.

In de vloedgolf aan reacties die volgde, wezen critici er onder meer op dat die vrijheidslievende Britten zich toch maar mooi met de autoritaire Russische tsaar hadden gelieerd, dat die nederlaag van het Pruisische militarisme een Tweede Wereldoorlog bepaald niet had kunnen voorkomen en dat het dus wel meeviel met het historische gewicht van die overwinning. Bovendien zou Goves uitval politiek gemotiveerd zijn geweest. Uit angst voor verkiezingswinst in mei van de lokale Tea Party – de UK Independence Party (UKIP) – zou de Tory-minister nu alvast zélf de ultranationalistische trom gaan roeren. Dat laatste is zeker niet uitgesloten, maar Gove lijkt bovenal een geestesverwant van de eloquente UKIP-leider Nigel Farrage.

Farrage, in de Lage Landen vooral bekend als nemesis van Herman Van Rompuy, gaf eerder te kennen dat hij bereid zou zijn een verkiezingspact te sluiten met de Conservatieven als ze David Cameron als premier zouden vervangen door Gove. In zijn column in The Independent nam Farrage de verdediging van de felbelaagde Gove op zich en stak hij hem tegelijk politiek en qua militair-historisch vernuft voorbij. In een opvallend doortimmerd betoog legde de nationalistische politicus de historische schuld niet bij de legerleiding maar bij de politici die het onzalige Verdrag van Versailles tekenden. Farrage, die fijntjes aangaf de slagvelden van het Westelijk Front minstens honderd keer te hebben bezocht, toont zich ook bijzonder goed op de hoogte van de zogenaamde revisionistische school in de Britse WOI-historiografie.

Wat op politieke analisten overkomt als een electoraal schaakspel brengt een technische maar voor een goed begrip ook belangrijke vakdiscussie op het publieke forum. Onder meer Gary Sheffield heeft er in zijn veelzeggend Forgotten Victory (2001) genoemde studie op gewezen hoe opmerkelijk het is dat Britten met hun obsessieve poppy-cultus en gedweep met dichters als Wilfred Owen blijkbaar nog altijd in rouw zijn over een oorlog die ze nota bene gewonnen hebben. Tijdens de oorlog zelf voelde het gros van de Britten dat heel anders aan. Ook John McCrae, schrijver van ‘In Flanders fields the poppies blow’ gaf in dat later vaak pacifistisch gelezen gedicht aan dat er uit piëteit voor de gesneuvelden gestreden moest worden tot de overwinning. Opperbevelhebber Haig, in onze tijd uitgegroeid tot het toonbeeld van militair cynisme en incompetentie (óók in Blackadder) was tot zijn dood in 1928 razend populair. Zijn begrafenis werd massaal bijgewoond, vooral ook door oud-strijders. De door Gove nu als ‘links’ weggezette opvatting over de oorlog ontstond na Haigs dood en werd de afgelopen decennia overigens vooral door rechtse politici en historici verspreid.

Met deze Britse links-rechts-polemiek heeft de rest van Europa weinig te maken, maar het debat over oorzaak en betekenis van het conflict wordt straks hopelijk overal en met elkaar gevoerd. Overeenstemming zal allicht niet bereikt worden, maar enige kennis verwerven van elkaars inzichten en gevoeligheden kan bepaald geen kwaad. Nationale herdenkingen waarbij buitenlandse gasten worden uitgenodigd zijn dan altijd maar het halve werk. Europese naties moeten samen nadenken, samen gedenken. Luik, Ieper, Verdun, Przemysl, Caporetto… zijn geen Belgische, Franse, Poolse of Sloveense maar Europese slagvelden.

Voor Christopher Clark, de Australische auteur van het terecht geprezen The Sleepwalkers. How Europe Went to War in 1914, was de Nobelprijs voor de EU zonder meer verdiend, maar bewijst de crisis waarmee de Unie nu worstelt dat de uitdagingen van 1914 niet verdwenen zijn. Ook vandaag gaat kortzichtig electoraal (en dus: nationaal) eigen belang vaak voor op het algemene. Als het de Commissie echt om dat algemeen-Europese belang te doen is, laat ze de herdenking van de ‘Europese oercatastrofe’ niet over aan de lidstaten, maar creëert ze een platform waar de Europese littekens en contradicties in alle openheid kunnen worden besproken, betwist en betreurd.