‘Ik ga met das om de barricade op. Altijd. ’

De nachtmerrie van Maurice Limmen, de nieuwe topman van het CNV, is dat werkgevers straks alles bepalen. Als de ledenaantallen blijven dalen, kunnen de bonden steeds minder doen, zegt hij.

„Mensen die denken dat je bij zo’n demonstratie ineens een slobbertrui en spijkerbroek aan moet om solidair te zijn, daar heb ik dus niets mee.” Foto Merlijn Doomernik

De werkkamer van Maurice Limmen (41), de nieuwe voorzitter van vakcentrale CNV, is nog leeg – op twee lijstjes op de kast na. In het ene lijstje zit een vergeeld krantenknipsel met een grote foto: Limmen, net dertiger en type keurige student, staat met opgestroopte mouwen door een megafoon te brullen voor het hoofdkantoor van it-bedrijf Getronics. „Mijn eerste actie”, vertelt Limmen lachend en trots.

De subtiele boodschap: hier staat een echte vakbondsman. De foto toont tegelijkertijd het verschil met predikant Jaap Smit, zijn voorganger. Smit kwam van búíten, kreeg de kritiek dat hij zelf nooit voor een baas had gewerkt en zou daarom zijn leden nooit goed hebben begrepen.

In het andere lijstje zit een oude tekening van een wit geitje, een relikwie van het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV). Het is het geitje dat vicevoorzitters ritueel aan elkaar doorgeven. De namen van oud-minister Aart Jan de Geus (CDA) en onderwijsbestuurder Doekle Terpstra staan achterop. Limmen mag er binnenkort zelf een krabbel opzetten en het geitje doorgeven aan de volgende vicevoorzitter.

Limmen is niet helemaal op zijn gemak. Hij was fractievoorzitter van het CDA in Amsterdam en is nu het gezicht van de op een na grootste vakorganisatie van Nederland (290.000 leden), maar praat niet graag over zichzelf. Limmen houdt werk en privé liever gescheiden. Als je dat „allemaal in elkaar laat overlopen” dan gaat het ergens fout, meent Limmen. „Zeker in dit soort banen waar het werk nooit af is”.

Als voorzitter Ton Heerts van het FNV praat over solidariteit of teamgeest, begint hij over zijn voetbalclub in Apeldoorn. Wat heeft u?

„Ik heb óók gevoetbald. Zeker! Bij de Spartaan, zevende reserve klasse B, van waaruit geen degradatie mogelijk was. Jarenlang gedaan.”

„Maar je bedoelt: Ton Heerts vertelt wat meer over zijn achtergrond. Ja God, wat kun je daar over zeggen. Ik heb vroeger bloemen verkocht. In Zaandam, als bijbaantje in mijn studententijd. Dat was wel een soort realitycheck.”

Maar spréékt u ook de taal van de straat?

„Dat hangt af van de setting. Ik denk dat mensen het voelen wanneer je aan hun kant staat. Bij mij is het geen kunstje. Er zit emotie in. Dat heb ik van nature. Ik kom uit een harmonieus gezin, maar in mijn familie zitten ook strijdbare types. Er werken hier mensen bij de vakbond die een actie als een dieptepunt beschouwen. Omdat je er niet op een fijne manier uit bent gekomen. Maar zo voel ík dat niet. Soms is het nodig.”

U staat bekend als iemand van de inhoud, als een slimme onderhandelaar. Maar bent u niet eerder een tweede man, geen voorman?

„Dat zal de toekomst uitwijzen.”

Wanneer was de laatste keer dat het CNV echt actie heeft gevoerd?

„Laat ik zeggen: de belangrijkste waar ik op terugkijk, is die actie tegen bezuinigingen in het passend onderwijs in de Amsterdam Arena. Die was toen helemaal vol. Was dat afgelopen jaar? Nee, het jaar daarvoor.”

Het CNV wordt toch gezien als het brave zusje van de FNV.

„Die woorden zou ik niet gebruiken. Het CNV is meer een redelijke broer. Maar ook die moet op een gegeven moment een streep trekken.”

In uw geval: met stropdas?

„Met stropdas. Altijd. Mensen die denken dat je bij zo’n demonstratie ineens een slobbertrui en spijkerbroek aan moet om solidair te zijn, daar heb ik dus niets mee. Ik ben zoals ik ben.”

Maar mensen gaan toch nauwelijks meer de straat op?

„Dat je nu minder acties ziet dan vroeger heeft alles te maken met de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Als je van de ene op de andere dag ontslagen kan worden, leg je toch minder makkelijk even het werk neer. Dat is een teken dat de verhouding tussen werkgevers en werknemers fundamenteel aan het veranderen is.”

U wilt de balans tussen werkgevers en werknemers herstellen, zegt u. Is dat wel mogelijk?

„Er is inderdaad veel werk te doen. Het nachtmerriescenario zijn de Amerikaanse verhoudingen, dat de werkgever alles bepaalt.”

Ze zeggen wel eens: wat in Amerika gebeurt, gebeurt vijftig jaar later in Nederland.

„Daar wil ik me dus niet bij neerleggen.”

Vakbonden, ook het CNV, hebben wel minder leden. Hoe lang bestaat het CNV nog?

„Wat mij betreft nog heel lang. Maar we zijn geen instituut dat zichzelf in stand houdt. Als je met zijn allen geen lid meer wordt, kunnen we ook veel minder voor je doen. Vakbonden moeten dat punt veel duidelijker maken, vind ik.”

Gaan we niet naar een situatie, of zitten we al in een situatie, waarin werkgevers of het kabinet op een gegeven moment denken: ach, die vakbonden, het zal wel?

„Het afgelopen jaar kennelijk niet, want we hebben net een sociaal akkoord gesloten. Hoewel daar ook altijd wel wat op af te dingen is.”

Zoals?

„De Europese dimensie, bijvoorbeeld. Ik spreek vrachtwagenchauffeurs. Waar zijn die bang voor? Dat ze worden vervangen door flexibele krachten uit het buitenland. Maar daarvoor moeten Europese regels veranderen en dat kunnen we niet in een sociaal akkoord regelen.”

Hoeveel kun je nog bereiken als Nederlandse vakbond in deze Europese of mondiale arbeidsmarkt? Wordt u nooit moedeloos?

„Moedeloos niet, wel strijdbaar. Het begint ermee dat mensen zich moeten realiseren dat we in Brussel moeten zijn om dingen te veranderen. De weeffout in Europa is dat een Poolse werknemer hier kan komen werken tegen een lager arbeidsvoorwaardenniveau dan wij. Dat is geen ontduiking, dat mag gewoon van Brussel. Maar ik denk dat de founding fathers van Europa het nooit zo bedoeld hebben. Daar moeten we iets aan doen.”

Arbeiders aller landen, verenigt u?

„Die slogan past niet helemaal bij ons, maar je zult op Europees niveau goed met elkaar moeten samenwerken. Dat is ingewikkeld genoeg.”

U heeft ooit overwogen voor het CDA naar de Tweede Kamer te gaan. Nooit spijt gehad?

„Ik ben ooit benaderd, mijn naam is genoemd, maar ik heb uiteindelijk voor het CNV gekozen. Als ik er nu op terugkijk, ben ik daar erg tevreden over. Erg tevreden. Voor mijzelf en de ontwikkeling van mijn loopbaan.”

Uw vriend Lodewijk Asscher, ook begonnen in de Amsterdamse politiek, is nu vicepremier. Wat als het CDA morgen een beroep op u doet?

„Als ik politieke ambities had, zat ik hier niet. Ik geloof dat je op verschillende manieren invloed kunt hebben. Er kleven ook beperkingen aan de landelijke politiek. Je werkt bij de bond, maar ook in Den Haag binnen bepaalde marges.”