Ik denk dat zij vooral in ons aanwezig is

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat. Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Mijn moeder werd ziek toen ik een jaar of twaalf was. Borstkanker. Aan het einde van mijn middelbareschooltijd kwam de ziekte terug, met uitzaaiingen. Het zwaard van Damocles heeft lang boven haar hoofd gehangen.

„Ik realiseerde me dat mijn moeder geen negentig jaar zou worden, en ook geen tachtig. Dat heeft me mede gevormd tot wie ik nu ben. Ik neem het leven niet voor granted.

„Ik heb veel tijd met mijn moeder doorgebracht, gelukkig. Ik ben opgegroeid in Rotterdam, studeerde in Amsterdam en later op Nijenrode in Breukelen – bedrijfskunde. Vrijwel ieder weekend ging ik naar huis, een avond, een dag, of twee dagen. Vrienden vroegen vaak of ik meeging naar feesten. Dan zei ik regelmatig: nee, ik ga naar mijn moeder; ze wisten dat ze ziek was. Steeds dat voorgevoel: nú kan het nog, hoe zal het over een jaar zijn?

„Zwaar heb ik dat niet gevonden, integendeel. Mijn moeder was een hele krachtige vrouw, een lieve schat. Over haar ziekte hebben we eigenlijk nooit zo uitgebreid gepraat. Ze deed het liefst alsof er niets aan de hand was. Ze hield zich groot, voor mijn vader, mijn twee zusjes en mij.

„Ze had een mentaliteit van: hup, mouwen opstropen, ik laat me niet zomaar wegblazen. Ik heb haar wel eens gevraagd of ze bang was om dood te gaan. Ze antwoordde dat ze het zo vreselijk vond voor ons; over zichzelf sprak ze niet.

„In haar laatste weken, in de zomer van 2011, zijn we allemaal thuis geweest. Het afscheid was zwaar, de uitvaart was mooi, met veel lieve mensen om ons heen, met prachtige brieven waarin mensen schreven hoe bijzonder mijn moeder is geweest en hoe bewonderenswaardig ze met haar ziekte was omgegaan.

„Na de zomer heb ik me gestort op het afronden van mijn studie. Ik weet nog dat ik een half jaar later de hoogleraar sprak bij wie ik afstudeerde. Hij zei dat ik m’n laatste tentamen had gehaald, ik was klaar. Ik kon geen woord terugzeggen. Ik heb me omgedraaid en ben weggelopen. Tranen. Blijdschap, en tegelijk: intens verdriet dat mijn moeder dit niet meemaakte. Ik heb mijn vader en mijn zusjes gebeld: ook alle drie huilend aan de telefoon. Het was een volgend groot moment in ons gezin; allemaal voelden we hoe we haar misten, nu we dit niet meer met haar konden delen.

„Toen mijn moeder overleden was, had ik tegen mijn vader gezegd: als ik straks klaar ben met m’n studie kom ik weer een paar maanden bij jou wonen: even alles laten bezinken, goed nadenken hoe ik m’n toekomst voor me zie. Dat heb ik gedaan, en dat was goed.

„Ik heb veel met mijn vader kunnen praten. Over zijn jeugd: hij verloor zijn vader toen hij jong was. Over hoe hij mijn moeder had leren kennen, over hun leven samen. Nee, niet over zijn verdriet. Hij zei, en hij zegt nog steeds, dat hij haar mist. Maar, net als mijn moeder, heeft hij niet veel woorden nodig om zijn emoties te uiten. Dat hoeft ook niet. Als je een sterke band hebt, kun je veel van elkaar aanvoelen en ook wel begrijpen zonder dat je iets uitspreekt.

„Ik heb in die maanden thuis in Rotterdam vrij weinig gedaan. Ja, met allerlei mensen gepraat, op zoek naar een baan; in mei vond ik werk, in Amsterdam. Ik heb de tuin op orde gebracht. Mijn moeder had groene vingers, de tuin was haar domein. In het vorige seizoen had ze er niets meer aan kunnen doen. Het voelde goed in haar geest te handelen: beetje wroeten in de aarde, tijd om na te denken, terug te denken.

„Toen mijn moeder nog ziek was, kwam een oom, een broer van haar, met het voorstel de ‘Alpe d’HuZes’ te fietsen, samen met twee neven ook. Geld ophalen voor onderzoek tegen kanker: prima doel. In die maanden thuis heb ik ervoor getraind. Een jaar na mijn moeders dood ben ik vijf keer de Alpe d’Huez op- en afgegaan.

„Het was mooi om te doen, maar voor mij had het niet de emotionele lading die het voor veel mensen heeft. Het voelde niet als therapie, als overwinning op mezelf om rouw te verwerken of zo. Wel ben ik even afgestapt toen ik de vijfde keer bijna boven was, in een bocht met eindeloos uitzicht. Toen kwamen de tranen, deels door vermoeidheid, deels door verdriet, deels door ontroering over het berglandschap. Mijn moeder hield van de bergen, we zijn er vaak met vakantie geweest.

„Ik heb, denk ik, meer met hele kleine dingen dan met grote gebaren en drastische besluiten. Als ik rustig in m’n stoel zit en zomaar een vogel hoor zingen, doe ik wel ’ns even mijn ogen dicht. Zonlicht dat op iets moois valt. Een vrolijk kind, dat iets geks doet op straat. Dat raakt me.

„Contact met mijn moeder zit nu ook in zulke kleine dingen. Ik praat wel eens tegen haar foto, die hier naast m’n stoel staat: ‘Zo mam, dat is toch maar mooi gelukt’, of zo. Ik heb geen idee of ze nog ergens is, en of ze naar ons kijkt vanaf haar wolk. Daar denk ik wel eens over na, dan denk ik: ‘Áls je mij nu ziet, geef dan even een teken: laat even een lamp knipperen, of een deur piepen?’ Er gebeurt niks.

„Ik denk dat ze vooral in ons aanwezig is, in mijn vader, mijn zusjes en mij. Wij dragen een deel van haar met ons mee. Daarom is zij ook het dichtst bij ons wanneer wij met elkaar zijn. Dan passen de puzzelstukjes naadloos aan elkaar, dan is zij er zo compleet als mogelijk is. Alleen, het belangrijkste puzzelstukje is niet meer bij ons: zijzelf.

,,Gelukkig heeft zij haar gedachtegoed op ons overgedragen. Niet zeuren, focus op wat je wél hebt, er zíjn voor andere mensen, er samen iets moois van maken. Ik koester alle herinneringen, bewonder haar positieve en liefdevolle levenshouding en ben dankbaar voor haar kracht en doorzettingsvermogen.”