Het Noorden heeft problemen die het ook zelf moet oplossen

‘Er gaat niets boven Groningen’ was lange tijd de wervende zin waarmee deze provincie zichzelf aanprees, met bassende stem in reclamespotjes uitgesproken door toenmalig commissaris van de koningin Henk Vonhoff. Dat was letterlijk en figuurlijk bedoeld. Maar het lijkt er soms op dat deze slogan alleen nog letterlijk moet worden genomen. Want uit het Noorden komt veel slechts. Aardgaswinning die voor aardbevingen, onrust en schade zorgt. Het aluminiumbedrijf Aldel in Delfzijl dat de poorten sluit. Zorgverzekeraar Menzis die aankondigt 175 mensen in Groningen te ontslaan. Het Centraal Bureau voor de Statistiek dat Drenthe als de provincie aanwijst die de afgelopen jaren het zwaarst is getroffen door de economische crisis.

Komt er dan niets dan kommer en kwel uit het Noorden? Dat valt wel mee. Het wonen is er in het algemeen goedkoper dan in de rest van Nederland. Uit een recent onderzoek van de Europese Commissie bleek dat de stad Groningen in vergelijking met 78 andere steden op Aalborg (Denemarken) en Hamburg na de bewoners telt die het meest tevreden zijn over de voorzieningen in hun omgeving. Groningen bleef Kopenhagen, Oslo, Zürich en Amsterdam voor.

Waarmee de problematiek van het Noorden niet moet worden gebagatelliseerd. Er is een behoorlijk verschil tussen stad en ontvolkend platteland, de beroepsbevolking vergrijst en het opleidingsniveau van de noorderlingen sluit onvoldoende aan op de vraag. De jeugdwerkloosheid is groter dan elders in het land. Daar staat dan tegenover dat het algemene werkloosheidspercentage in de provincies Zuid-Holland en Flevoland in 2012 hoger was dan in het Noorden en dat het procentuele verschil tussen dit landsdeel en de rest van Nederland de afgelopen twintig jaar behoorlijk is verkleind.

Maar feit is ook dat de rijksoverheid bezig is zich als actieve partner terug te trekken uit de regio’s. Het (vorige) kabinet heeft in 2011 besloten zijn betrokkenheid geleidelijk te beëindigen. Dat betekent bijvoorbeeld dat subsidies voor de regionale ontwikkelingsmaatschappijen – in het Noorden is dat de NOM – dit jaar voor het laatst worden verstrekt.

Maar juist de NOM beschikt nog over miljoenen die nu eens nodig in de economie van de regio moeten worden geïnvesteerd. Dat zei de commissaris van de koning in Drenthe, Jacques Tichelaar, op de nieuwjaarsreceptie van deze provincie. „Anders kunnen we de NOM net zo goed opheffen.” Tichelaar, eerder fractieleider van de PvdA in de Tweede Kamer, waarschuwde ervoor dat ‘Den Haag’ weleens genoeg kon krijgen van „Rupsje

Nooitgenoeg uit het Noorden die aan de poort staat te rammelen”.

Opmerkelijk, al gingen een andere noordelijke bestuurder hem al voor. De toenmalige burgemeester van Groningen, Peter Rehwinkel, verzette zich vorig jaar in een artikel op een Opiniepagina van NRC Handelsblad ook tegen het beeld van het Noorden als „armlastig, achtergesteld, achterlijk gebied”. Hij waarschuwde voor Calimerogedrag en wees erop wat het Noorden wél is: „Centrum van wetenschap, onderwijs, sport, cultuur, dienstverlening, ICT-ontwikkeling, nieuwe energie, gezond leven en gezond oud worden.”

De provincie Groningen zette deze maand een stapje naar stimulering van de regionale economie door de instelling van een investeringsfonds voor het midden- en kleinbedrijf aan te kondigen. Feit is dat het Noorden impulsen nodig heeft. In welk tempo de gaswinning er ook zal worden voortgezet of vertraagd, duidelijk is dat de voorraad aan het opraken is. De infrastructuur die er is zal de spil moeten worden die de ambitie van Nederland, de gasrotonde van Noordwest-Europa te zijn, realiseerbaar maakt. Een opgave die trouwens op de eerste plaats wel een verantwoordelijkheid is van het kabinet. Maar er liggen meer kansen, zo hield staatsecretaris Wilma Mansveld op een bijeenkomst van VNO-NCW-ondernemers uit het Noorden vorig najaar voor. De grote thema’s van de komende jaren – voeding, water, gezondheid en energie –zijn juist in het Noorden, door de ruimte en al aanwezige expertise, uitdagingen voor ondernemerschap. „U hebt goud in handen”, zei Mansveld die eerder kortstondig gedeputeerde in Groningen was.

De boodschap is duidelijk. Het Noorden moet niet op Den Haag rekenen. Het moet het zelf doen. Met voorbijgaan aan de grenzen tussen Friesland, Groningen, Drenthe en wellicht ook Overijssel. Benodigd: ondernemerschap en een energiek landsdeelbestuur.