Column

Hallo, renners?

Nergens is het samenzijn van topsporters zo innig als in een wielerploeg. Mannenwereld hors categorie. Driekwart jaar samen onderweg. Eten, drinken, fietsen, slapen… Coureurs zonder grenzen.

Ze weten alles van elkaar, verlangen ook naar elkaar.

Dat zie je dezer dagen nu het peloton de winter heeft afgeschud en op stage is vertrokken naar de Spaanse zon. Alleen maar blije gezichten, dartele veulens, bijna. De honger naar de eerste demarrage of sprint is groot.

Ploegleider Patrick Lefevere voelde zich verplicht om op de dag van zijn verjaardag af te reizen naar zijn jongens in Calpe. Want, zei hij: „De eerste stage is een intiem moment voor de ploeg. Er wordt de hele tijd gesnuffeld aan nieuwkomers. Palmaresdromen worden uitgewisseld.”

Lefevere is niet de grootste romanticus van het wielrennen. Eerder een slimme, zakelijke kampioenenmaker die buiten de koers ook nog een leven heeft, van kunst en culinair genot. Hij laat zich in bestuur en beheer van Omega Pharma-Quickstep graag bijstaan door Bessel Kok en Derk Sauer. Nederlanders in de ban van het ras der flandriens. Ook mannen die van het leven weten. Maar bovenal: gek van de fiets. Ze gaan zelfs even mee op stage.

Ik vroeg aan Patrick Lefevere of hij in zijn dertigjarige carrière weleens een homoseksuele wielrenner was tegengekomen. Niet dat hij het zich kon herinneren.

Veelwijverij daarentegen…

In de aanloop naar de Spelen in Sotsji gaat het alleen nog over homofobie van de Russen. Dat de Duitse ex-international Thomas Hitzlsperger zich nu geout heeft als homo werd alom bejubeld. Zelfs door Angela Merkel. Terecht. Zeker voor een door blessureleed overmande speler van de Mannschaft is het devoileren van zijn intiem seksleven een statement. Duitse internationals zijn wel de crème de la crème van de natie.

Mondjesmaat opent de voetbalwereld zich voor de andersgeaardheid van spelers en begeleiders. Nog niet van harte, maar homoseksualiteit drijft langzaam weg uit het maquis. Met dank aan Hitzlsperger, en eerder aan Robbie Rogers, nog eerder aan Justin Fashanu.

Naar homo’s in het wielrennen wordt nooit gevraagd. Waarom eigenlijk niet? Ooit waren ze dwangarbeiders van de weg, maar zo zien ze er allang niet meer uit. De hedendaagse renner is de catwalk nabij: modebewust, gesoigneerd tot in stuurlinten, oordopjes, designbrillen en witte sokjes. De meesten met damesenkeltjes als lucifers.

Zelfs de gedoodverfde boerenkinkel Bram Tankink oogt op de fiets als een pocketseigneur. Je ziet ze niet meer in het peloton, scheve dwergen als Davide Rebellin, Fabio Parra of Pino Cerami. Wielrenners zijn nu mooiere mannen dan voetballers.

Ik ruil David Beckham graag in voor Alessandro Petacchi.

Over de sexappeal van Tom Boonen is alles gezegd.

Maar dus in die wondere wereld van stalen spieren, kokette shirtjes en geverfde haren zou zich vooralsnog geen homo ophouden. Nu weet ik dat wielrennen een katholieke sport is, maar de huidige paus wast en kust wel de voeten van asielzoekers. Lichamelijkheid is niet meer alleen voor onder de lakens.

Het zou voor de emancipatie van homoseksuele topsporters een serieuze opsteker zijn mocht ook een prominente coureur zich outen. Meer dan in voetbal vallen in wielrennen identiteiten van sporters en fans samen. De idolatrie is heviger, meer persoonsgebonden.

Ik wil nog steeds Rik Van Looy zijn.

Vaak moet ik aan Jan Raas denken. Zeeuwse macho, vloekend en tierend, niet één feminien trekje te herkennen. Jan kan zich niets voorstellen bij herenliefde. Jammer, want hij kent renners van binnen en van buiten, alsof ze tubes zijn.

Ik mis hem wel, Raaske.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.