Griekse toestanden

Correspondent Den Haag

Tom-Jan Meeus Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Rob Krug, een voormalige hoge ambtenaar van Sociale Zaken. Ofwel: wat Hollands misbruik van EU-subsidies vertelt over het Europadebat van nu.

Dan schakelen we nu weer over naar de wereld van de goede bedoelingen. In aantocht is een half jaar campagne. Eerst voor de gemeenteraden, die we in maart kiezen, daarna voor het Europees parlement, dat in mei een nieuwe samenstelling krijgt. Maandenlange politieke public relations met ballonnen, prefab tweets en, natuurlijk, de praatprogramma’s. Stem op ons.

Misschien vergis ik me – maar vermoedelijk zullen de Europese verkiezingen meer invloed op de Haagse verhoudingen hebben dan die in de gemeenten. Bij de laatste speelt dat de PVV maar op twee plaatsen (Den Haag en Almere) meedoet en, belangrijker, dat een kwart van het electoraat op lokale partijen stemt. Landelijke partijen kunnen eventuele verliezen altijd wegredeneren.

Bij Europa is dit onmogelijk: het neen van Wilders tegen de Unie en de euro staat tegenover acht partijen die zowel Unie als euro steunen. De PVV versmalt het debat zo tot voor of tegen. Dus als gevestigde partijen er fiks door verliezen, dit zou zomaar kunnen, is de kans op het zoveelste Pim-moment niet gering: nieuwe populistische oprispingen om het contact met de burger te herstellen. Daar wordt een bestuur zelden stabieler van.

Een ander effect van Wilders’ inbreng is dat het debat, zoals meestal in campagnes hier, zich zal concentreren op de gewenste Europese werkelijkheid. Niet de echte Europese werkelijkheid.

Dit is de structurele zwakte van Hollandse campagnes: er is altijd weer te weinig ruimte voor het (recente) verleden van politici en hun partijen. Wat politici hebben gepresteerd, of niet gepresteerd, blijft zo telkens nagenoeg onbesproken. De bulk van de aandacht gaat naar hun plannen.

Dit euvel zie je in dat hele Europadebat. Kijkt u even naar dit rijtje Europalingo uit de media: federaal Europa, interne markt, euroscepsis, Griekse miljardensteun, kleinere Commissie, depositogarantiestelsel, eurobonds. Allemaal begrippen over de inrichting van een toekomstig Europa.

Dus dit is de vraag: zou dat Europadebat niet veel effectiever en inzichtelijker zijn als het zou gaan over wat Europa is? Als het niet draait om wensen van politici - maar over realiteiten die zij creëren?

Ik kwam erop nadat ik deze week een lange ochtend over Europa sprak met Rob Krug, een voormalige hoge ambtenaar van het ministerie van Sociale Zaken, die een paar jaar terug met pensioen ging.

Rob Krug zat erbij als een klassieke bureaucraat: gesloten, voorzichtig en onpartijdig – zij het „links georiënteerd”. Hij had sinds de jaren zeventig met vrijwel alle bewindslieden op Sociale Zaken gewerkt - van Ad Melkert tot en met Mark Rutte, van Jan de Koning tot en met Henk Kamp – en kon mooi vertellen over het verschil tussen openbare politiek en de interne wereld van een ministerie.

Zo suggereerde hij staatssecretaris Henk van Hoof (VVD) ooit hoe hij zijn gebrek aan dossierkennis in de Kamer kon maskeren: „Heel langzaam praten.” Hij zag de handigheid waarmee minister Ad Melkert (PvdA) onder Paars I geld voor gesubsidieerde arbeid (‘Melkert-banen’) loskreeg – door ministers uit sceptische coalitiepartijen, Dijkstal (VVD) en Borst (D66), als eerste de gesubsidieerde banen te gunnen. Of staatssecretaris Mark Rutte die vanaf dag één een woordkunstenaar („echt een talent”) bleek te zijn. Of Jetta Klijnsma, de huidige staatssecretaris, wier dossierkennis hem - hoe zei hij dit elegant? – „niet echt had kunnen imponeren”.

Het interessante was: komende maandag verwacht Rob Krug te promoveren op Gemakkelijk geld, een onderzoek naar de zogenoemde ESF-affaire van begin deze eeuw. Precies zo’n zaak waarin het niet ging om plannen voor Europa maar om de Nederlandse uitvoering van Europese plannen. Er bleek uit dat ook Nederland, zoals de Grieken de laatste jaren, een verleden van lichtzinnige omgang met miljarden Europees steungeld had. En dat ook Nederlandse politici de schuld nooit bij zichzelf zochten.

Het ging zo. Begin jaren negentig ontving Nederland, dankzij enorme landbouwsubsidies, nog meer geld van de EU dan het betaalde. Maar de landbouwsubsidie werd minder, en Nederland wilde onder geen beding ‘netto-betaler’ worden. Kom nou.

Het slaagde erin ‘netto-ontvanger’ te blijven dankzij een sterk verhoogde bijdrage uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) voor bestrijding van langdurige werkloosheid. Kwam in de periode 1989-1994 400 miljoen euro ESF-geld binnen, voor 1994-1999 was dit ineens anderhalf miljard.

Wat volgde was een comedy of errors. Nederland had het geld amper nodig. Projectjes die ermee werden betaald, zei Krug, „hadden bedrijven of gemeenten best zelf kunnen vergoeden”. Een bezoekende eurocommissaris kreeg een luxe wijk in Flevoland gepresenteerd als „deel van een achterstandsgebied”.

En Melkert, in 1994 aangetreden, bezuinigde op de dienst die het ESF-geld moest verdelen: ze zwommen er in het geld maar kregen geen nieuw personeel om het effectief te verdelen. „Als je met onhandelbare jongens een oude boot verbouwde kreeg je ook subsidie.” Misbruik lag op de loer. „Je kreeg te maken met de Linke Loetjes: ‘Ha, gratis geld!’.”

Griekse toestanden in Nederland. Controleurs troffen projectadministraties in schoenendozen aan. Ze bezochten scholingsprojecten waar nooit een leslokaal bleek te hebben gestaan.

Parlementariërs begonnen over de onderste steen, die uiteraard boven moest. De opvolger van Melkert, partijgenoot Klaas de Vries, stuurde alles wat hij wist naar de Kamer.

Wéér een fout, zei Krug. Hij had een topambtenaar naar Brussel moeten sturen om een snelle deal over terugbetaling te sluiten. „Dan had het 90 miljoen gekost of zo.” Nu dachten ze in Brussel: „Als Nederland dit een groot probleem vindt, moesten wij dat ook maar vinden.”

De Unie vorderde later honderden miljoenen terug, Nederland reclameerde, en alles escaleerde in de zomer van 2001: toen premier Kok op het punt stond Melkert als nieuwe PvdA-leider aan te wijzen, herinnerde deze krant aan de rol van Melkert bij het ontstaan van het ESF-debâcle. Melkert was woest: hem trof geen blaam.

Zoals Den Haag werkt: ten slotte werd alles afgedekt met een commissie, geleid door oud-president Henk Koning (VVD) van de Rekenkamer. Die concludeerde dat niet zozeer Melkert maar „alle betrokkenen” schuld hadden, en vooral: dat er geen grootschalig misbruik was geweest. Meer dan 70 miljoen eurootjes hoefde Nederland vermoedelijk niet terug te betalen, aldus Koning.

Prachtig was het: Europa was fors Hollands subsidiemisbruik op het spoor, en Nederland zei ineens: nee joh, dat zouden wij nou nooit doen. En de Haagse politiek volgde dit gunstige zelfbeeld volledig: met de PvdA wilde ook coalitiepartner VVD niets meer van enig probleem weten.

Mooiste detail dat ik in het archief terugvond: PvdA- én VVD-Kamerleden die in onverwacht hoge aantallen een procedurevergadering overvielen zodat in het verkiezingsjaar 2002 geen Kamervragen meer over het rapport-Koning gesteld konden worden. Eén van de VVD’ers die Melkert zo de helpende hand toestak: Geert Wilders.

Later bleven berichtjes over Brusselse ESF-terugvorderingen binnendruppelen, maar de politieke spanning was eraf, en je moest accountant zijn om alle bedragen op waarde te schatten. Rob Krug bracht ze minutieus in kaart en concludeert dat Nederland ten slotte 875 miljoen euro terugbetaalde: twaalfmaal de prognose van Koning.

Er kwam bij dat Nederland ook 800 miljoen aan extra kosten kwijt was. Dat hele onderzoek van Koning waarmee Den Haag zichzelf had vrijgepleit, was kortom, zei Krug, „een geruststellend flutrapport”.

En het grappige is: als je nu de Europese verkiezingsprogramma’s van 1994 terugleest, zie je dat destijds alle grote partijen méér ESF-geld uit Brussel wilden. En als je de concepten voor de komende verkiezingen van dit jaar leest, zie je een enorme behoefte aan „doeltreffende en doelmatige” besteding van „Europese subsidies” (VVD), en oproepen tot „korten op fondsen” bij „fraude of onvoldoende verantwoording” (PvdA). Nu wel.

Dus toen Nederland zich gedroeg als de Grieken, waren Hollandse politici graag bereid de feiten tegen te spreken. Toen de Grieken zich als Grieken gedroegen, schreeuwde Den Haag met graagte moord en brand.

Wij zijn goed, de andere landen slecht. Wij komen voor onszelf op, en klagen als de andere landen dit ook doen. Het Nederlandse verleden in de omgang met Europa is, inderdaad, een betere toekomstverkenning dan welk verkiezingsprogramma dan ook.