Europees debat begint weer bij nul

Europa bepaalt steeds meer zaken voor Nederland. Maar net als altijd willen maar weinig kiezers gaan stemmen voor het Europees Parlement, op 22 mei. Uit opinieonderzoek blijkt dat maar één op de drie zeker naar de stembus zal gaan. De aanhang van de PVV is het meest vastbesloten.

Illustratie Rik van Schagen

Weet u nog, de eurocrisis? Week na week en maand na maand verhitte toppen in Brussel. Een paar jaar lang. De Grieken maakten een historische val in welvaart. Dat kon de EU dus ook brengen. In de noordelijke landen groeide de weerzin tegen de hulp aan het zuiden, de anti-Europese partijen werden groter en belangrijker. In Italië hielp Europa de regering-Berlusconi om zeep. In Den Haag moest het kabinet vorig jaar eerst met eurocommissaris Rehn onderhandelen over de omvang van extra bezuinigingen voor 2014. En pas maanden later met de Tweede Kamer. Er komt een Europese bankenunie, en straks gezamenlijk economisch beleid. Europa, best belangrijk, zoals de leus in 2005 was? Dat is in de jaren na de vorige verkiezingen voor het Europees Parlement, in 2009, een understatement geworden. Het Europees Parlement maakt trouwens ook veel wetten die ook in Nederland gelden.

Ze worden dus spannend, de verkiezingen voor het Europees Parlement op 22 mei. Zou je zeggen. Maar wat blijkt uit het eerste grote opinieonderzoek van dit Europese verkiezingsjaar onder Nederlandse kiezers? De opkomst zal net als voorgaande keren heel laag zijn: maar één op de drie zegt zeker te gaan stemmen. Ze zijn niet geïnteresseerd in Europa (ruim 52 procent) of onverschillig (24 procent). Minder dan 20 procent weet hoeveel landen lid zijn van de EU en bijna niemand weet dat de Duitse sociaal-democraat Martin Schulz de voorzitter is van het Europees Parlement. Het vertrouwen in Europa is alleen maar gedaald.

Claes de Vreese, hoogleraar politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam, zegt: „In Nederland moet het debat over Europa altijd weer bij nul beginnen.” Al eind jaren negentig bleek uit zijn onderzoek dat Nederland Europees gezien „kampioen” was in het negeren van de EU. Zijn verklaring is dat de Nederlandse middenpartijen betrekkelijk laat werden „uitgedaagd” om te zeggen wat ze nu met Europa wilden. Een land als Denemarken hield al in 1972 zijn eerste referendum – over toetreding tot de EU.

Bij het eerste Nederlandse referendum, over de Europese Grondwet in 2005, leek het erop dat het negeren van Europa voorbij was en na het ‘nee’ tegen de Grondwet beloofde Jan-Peter Balkenende, in die tijd premier, dat er een fundamenteel debat zou komen over Europa.

Maar daarna hielden partijen als de VVD, PvdA en het CDA zich stil. De Vreese: „Dat er nog enigszins een debat is over Europa danken we aan de SP en de PVV.”

De Vreese leidt het opinieonderzoek dat TNS NIPO uitvoert in opdracht van de UvA. Een half jaar lang wordt gemeten hoe, tijdens de campagne, de opvattingen over Europa veranderen. Het is deels een herhaling van een studie rond de Europese verkiezingen in 2009, maar nu is het groter en langduriger. En hoe pessimistisch je door de uitkomsten ook kan zijn over Nederland in de EU, volgens De Vreese liggen er mooie kansen voor VVD, PvdA en CDA – als ze eindelijk eens durven.

Want uit het onderzoek blijkt dat niet één partij al duidelijk bovenaan staat in de kiezersgunst. PVV en VVD komen uit op 16 à 17 procent van de stemmen en niet heel ver daaronder staan SP, D66 en PvdA (rond de 12 procent) en CDA op ruim 10 procent. Van de ondervraagden is maar 28 procent helemaal zeker van de keuze en dat zijn dan vooral PVV-stemmers. Zelfs bij een uitgesproken partij als D66 is maar 15 procent van de kiezers ‘heel zeker’ van hun keuze.

De Vreese beschrijft de aanstaande campagne niet als gevecht, maar als theater: VVD, PvdA en CDA moeten duidelijk midden, in het licht van de schijnwerpers, op het podium gaan staan. Anders blijven die gericht op de zijkanten: de eurokritische PVV en SP en het pro-Europese D66.

Hoe pak je dat aan als Paul Tang, Europees lijsttrekker voor de PvdA? Of als Esther de Lange namens het CDA. En Hans van Baalen die de Europese lijst trekt voor de VVD? Europarlementariër Esther de Lange zei in een campagnefilmpje: „De EU is zeker niet perfect, maar wel hét instrument om Nederland sterk, schoon, veilig en welvarend te houden.” Ze wil „het huis op orde brengen, behouden wat goed is en de bezem halen door wat overbodig is.”

Bij deze drie zit meteen al een probleem: alleen Van Baalen is in Nederland misschien net iets bekender dan Martin Schulz. In Denemarken, waar Claes de Vreese is opgegroeid, werd een paar weken geleden een Europarlementariër teruggehaald om minister van Landbouw te worden. Er zit een Deense ex-premier in het Europees Parlement en de huidige premier was Europarlementariër. Als er een Europese kwestie speelt in Denemarken, doen zij allemaal volop mee aan het debat. Zo gaat het ook in landen als Zweden of België (met oud-premier Guy Verhofstadt als leider van de Europese liberalen).

De Vreese: „In Nederland zie je vaak dat Tweede Kamerleden zich erin mengen die niet eens lid zijn van de Commissie Europese Zaken in het parlement. Het zijn de verkeerde spelers op het toneel.”

Maar stel dat de middenpartijen het nu echt willen proberen, waar moeten ze dan beginnen zonder meteen in een anti of pro-verhaal terecht te komen? Want dan raken VVD, PvdA en CDA in de knoop: hun achterban is verdeeld over Europa. De Vreeses advies: „Get out of the bush. Laat zien wat je wilt met Europa. Probeer zo helder mogelijk te zijn over oplossingen voor de crisis, over de financiële markten, het behoud van de welvaartsstaat of de nieuwe voorzitter van de Commissie.”

De VVD is nu vóór de kandidatuur van Guy Verhofstadt als Commissievoorzitter, al is hij waarschijnlijk pro-Europeser dan de meest pro-Europese VVD’er. Is dat uit te leggen? De Vreese: „Als je zegt: we vinden hem de beste kandidaat ondanks al zijn federalistische ideeën, dan ben je al weg. Dat is een inkoppertje voor de PVV.”

Toch hielp de kwestie-Verhofstadt-en-de-VVD wel weer voor de aandacht van de Europese verkiezingen. Ruzie en polarisatie over Europa leiden volgens De Vreese in EU-landen vaak tot een hogere opkomst. En ook daar ligt een kans, want polarisatie ís er in Nederland: uit het UvA-onderzoek blijkt dat we extremer zijn gaan denken over Europa. De groep die Europa wantrouwt en zich bedreigd voelt is gegroeid. De groep die positief denkt over de EU slonk licht in omvang, maar binnen die groep werd de stelligheid groter. De voorstanders werden grotere voorstanders.

Tegen die achtergrond is het moeilijk te begrijpen wat D66 nu aan het doen is: die partij wil niet meer zomaar vóór Europa zijn. D66 vindt dat de Europese Unie democratisch en wat betreft bestuurskracht „piept en kraakt” en nodig vervangen moet worden door een „eigentijdser” systeem. „Als ze zich kritischer gaan positioneren, hebben ze daar electoraal weinig baat bij”, zegt De Vreese. „Ze vissen dan in dezelfde vijver als de VVD en de PvdA.”

Bij de SP gebeurt – heel voorzichtig – hetzelfde, maar dan de andere kant op: die partij wil al een tijdje niet meer gezien worden als alleen maar anti-Europees. De SP wil de achterban bijvoorbeeld duidelijk maken dat de interne markt niet alleen maar een bedreiging is.

De PVV probeert de tegenstellingen over Europa juist te vergroten. Pro-Europese partijen worden door Geert Wilders weggezet als „eurofielen” die „de facto” Nederland „opheffen”. Hij wil uit de EU stappen, uit naam van de nationale soevereiniteit.

Die polarisatie is tot veel kiezers doorgedrongen. Of het daarbij blijft, is nu aan de middenpartijen. „Ik denk dat deze verkiezingen hun laatste kans zijn”, zegt De Vreese. „Als je na vijf jaar crisis het toneel nog steeds overlaat aan de polariserende populisten, heb je geen les geleerd.”