Die voedselregels werken niet zo best

De machtige voedsellobby voorkomt werkelijk strenge richtlijnen. Voorzover die er wel zijn, is handhaving lastig. Beter voedsel bereiken we met naming en shaming van producenten, vindt Herman Lelieveldt.

„Waarom kunnen we hen niet aanmoedigen beter voedsel te produceren?” FOTO ANP

Wie kan het oneens zijn met de stelling van Martijn Katan dat er veel mis is met ons eten? (NRC Handelsblad, 9 januari). Na een jaar dat bol stond van de fraude met vlees (paard of rund, biologisch of niet?) dient het eerste voedseldebacle van 2014 zich al aan, nu blijkt dat duizenden broden gebakken zijn in een oven waarin asbest vrijkwam. Maar krijgen we de producenten echt in het gareel door het aannemen van een paar wetten, zoals Katan beweert?

Ik waag het te betwijfelen. Neem nu het pak vanilleyoghurt voor mij op tafel. Er staan duidelijk twee kanjers van vanillestokjes op de verpakking, maar ik vind geen milligram vanille tussen de ingrediënten terug. Volgens artikel 6 1b van de EU-richtlijn oneerlijke handelspraktijken is hier toch echt sprake van misleiding. Waarom hebben de voedselautoriteiten en de Economische Controledienst niet al lang de schappen leeg gehaald?

Katan ziet in zijn pleidooi voor meer wetgeving twee dingen over het hoofd: alles wat er voor en na het aannemen van een wet gebeurt. De voorbeelden hierboven laten al zien dat er een groot gebrek aan handhaving is. Vroeger werd ons vee op de kalvermarkt verhandeld, op de Beenhouwerssingel geslacht en in de vleeshal onder het toeziend oog van het gemeentebestuur verkocht. Maar de voedselketens zijn nu veel internationaler en op toezicht is decennialang bezuinigd. Dankzij het paardenvleesschandaal krijgt de Nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit er inmiddels weer wat mensen bij, maar toch lijkt de overheid nog steeds een rotsvast geloof in de markt te hebben. Kijk naar de door staatssecretaris Dijksma ingestelde Taskforce Voedselvertrouwen die in december zijn rapport uitbracht. Dat staat bol van het geloof in ISO9001 en allerlei andere kwaliteitssystemen en oppert zelfs de mogelijkheid dat labelverstrekkers zelf boetes gaan opleggen. Niet geheel verwonderlijk; de Taskforce bestond uit vertegenwoordigers van bedrijfsleven en overheid.

Katans tweede denkfout zit aan de invoerzijde van het voedselwetgevingsproces. Tegenover een kleine, goed georganiseerde groep producenten met gigantische financiële belangen, staan vele onverschillige consumenten die liever niet willen weten hoe wetten en worsten gemaakt worden. Ik vermoed dat zorgen over voedsel geen prominente rol krijgen bij de komende gemeenteraads- en Europese verkiezingen. En die paar consumentenorganisaties die zich wel druk maken over ons voedsel, leggen het geregeld af tegen de goed geoliede voedselindustrie. Zeker in Brussel, waar vandaag de dag de meeste voedselregels vandaan komen. Zo wist de voedsellobby met succes in Brussel het zo heldere stoplichtensysteem voor vet, suiker en andere ongezonde ingrediënten tegen te houden en moeten we het nu nog steeds doen met de cryptische ‘aanbevolen dagelijkse hoeveelheden’ op onze verpakkingen.

Wat is er dus mis met het direct aan de kaak stellen van het gedrag van bedrijven? Waarom zouden we wel een moreel appel op burgers maar niet op producenten mogen doen en ze niet direct kunnen aanmoedigen om beter voedsel te produceren? Het is dankzij dit soort acties dat de vis in de supermarkt steeds duurzamer is en bijna alle chocoladeletters inmiddels fair trade zijn. In een wereld waarin het aannemen van wetten en het goed uitvoeren ervan steeds moeilijker is, zet een gezonde dosis naming, shaming en framing bedrijven eerder en effectiever tot goed gedrag aan, dan de zoveelste moeilijk te handhaven wet.