Bamsen rollen in Rampsol

Bernard Hulsman grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft zijn eerste indruk.

In den beginne was alles woest en ledig in de drooggevallen IJsselmeerpolders. ‘Je zag een vlakte’, vertelt polderpionier Rocus van de Griend in Zover je keek was er niks [1] ‘Je stapte met je laarzen vanaf de dijk de prut in.’

Van de Griend (1919) is een van de tientallen poldermannen en -vrouwen die zijn ondervraagd voor het oral history-project van Landschapsbeheer Flevoland over de Zuiderzeewerken, de grootste inpoldering ter wereld. Lenie Hanse maakte een selectie uit de vraaggesprekken en laat de pioniers vertellen over onder meer de grote leegte, de eerste begroeiing en de eerste landdieren in de Flevopolders. ‘Het miegelde van de muizen’.

De citaten staan vol mooie en rare woorden. Zo is een ‘bamse’ een Volvo-trekker met rupsaandrijving die bij de ontginning van het drooggevallen land werd gebruikt en een van de toegangswegen tot de Noordoostpolder, nu een gehucht, was Ramspol. Er staan ook tal van memorabele uitspraken in het boekje. ‘Je wilt als vogel ook niet altijd te kijk zitten’, zegt Evert de Boer (1945) bijvoorbeeld over de afwezigheid van boombroeders als buizerds in de nog kale polders.

Oral history is ook een belangrijke pijler van Samen voor ons eigen [2], de studie over de Haagse Schilderswijk in de jaren 1920-1985 waarop de sociaal historicus Diederick Klein Kranenburg promoveerde. Samen met studenten ondervroeg Klein Kranenburg tientallen (ex-)bewoners van de Schilderswijk over het leven in de volksbuurt. Van het nostalgische, positieve beeld dat wel bestaat van volksbuurten blijft weinig over in Samen voor ons eigen. De Schilderswijk is nooit een gezellige, homogene volksbuurt geweest. In de jaren 1920-1985 veranderde de bevolkingssamenstelling steeds: degenen die het zich konden permitteren, verlieten de wijk zo snel mogelijk.

Na 1945 werd de Schilderswijk een dumpplaats voor bewoners die elders in Den Haag hun krotten moesten verlaten. Maar ook toen bleef een homogene cultuur beperkt tot een paar straten waar enkele families met harde hand de dienst uitmaakten en buitenstaanders wegtreiterden.

Een volkse idylle is de Schilderswijk nooit geweest, zo blijkt uit de heldere, jargonloze studie van Klein Kranenburg.

Niet op een bamse, maar in een hobbelende koets reed Sigismund van Heiden Reinestein, adviseur van stadhouder Willem V, aan het einde van de 18de eeuw door Europa. Tijdens de reizen die hij met de stadhouder maakte naar Parijs, Berlijn en andere Europese steden hield hij dagboeken bij, die nu zijn gebundeld in het rijk geïllustreerde Vanuit de koets bekeken [3] .

Nauwgezet heeft Van der Heiden de ontmoetingen met prinsen en koningen genoteerd, de concerten die hij bijwoonde en de maaltijden die hij nuttigde in paleizen of in herbergen. Toelichtingen op de politieke ontwikkelingen in het toen turbulente Europa komen vooral van Van der Heer die de dagboeken van uitgebreid commentaar heeft voorzien. Uiteindelijk vlucht Willem V naar Engeland en blijft Van der Heiden achter in Nederland. Hij wordt ambteloos burger maar blijft aantekeningen maken.

In de stroom boeken over de Eerste Wereldoorlog die in het herdenkingsjaar 2014 uitkomen, zit ook een nieuwe uitgave van de onverslijtbare Duitse klassieker Van het westelijk front geen nieuws [4] uit 1929 van Erich Maria Remarque. Bij de 29ste druk van Remarques nog altijd indrukwekkende verslag van alle ellende en ook opwinding die bij oorlog horen, heeft de uitgever, Erven J. Bijleveld, nu een album gevoegd van de Amerikaanse verfilming van het boek uit 1930 die, aldus de inleiding op de stills uit de film, net zo’n klassieker is als het boek.

Niet de Eerste, maar de Tweede Wereldoorlog duikt op in Morgen wordt het beter [5] het schrijversdebuut van de singer-songwriter JP den Tex. In ‘Fantoompijn’, een van de twaalf verhalen in zijn debuut, beschrijft hij hoe zijn moeder als meisje de oorlog doorkwam. Haar zus kreeg bijna een verhouding met een Duitse officier, die zich na zijn afwijzing uit verdriet meldde voor het Oostfront en in 1943 sneuvelde.

In andere verhalen haalt JP Den Tex herinneringen op aan zijn vader en aan zijn liefdes. Zoals de onmogelijke Cléo die hij achterna reist naar Sicilë om daar te horen te krijgen dat ze met een Italiaan gaat.

Het proza van JP Den Tex is net zo onopgesmukt en eenvoudig als de liedjes op de cd die bij het boek is gevoegd. Twaalf liedjes bevat de cd en elk verhaal is verbonden met een liedje.