Auerbach, Klein, Warme Winkel

Joyce Roodnat

De schilder en de fotograaf laten het licht betekenis geven in hun beelden. Hard of zacht.

Hij is een twintigste-eeuwse Brit, boegbeeld van de moderne schilderkunst. Maar nu hangen zes van de schilderijen van Frank Auerbach in het Rijksmuseum in Amsterdam. En nog wel in de eregalerij, in de nis tegenover Rembrandts dubbelportret van het (al dan niet, dat weet niemand) Joodse bruidje en haar man. Auerbach liet vallen dat hij schatplichtig is aan Rembrandt, waarop het Rijks zijn werk uitnodigde. ‘Om de dialoog aan te gaan’, zoals musea dat plegen te noemen.

Dat mogen ze zeggen, hoor, maar schilderijen gaan geen dialoog aan. Schilderijen zijn monologen. Ze spreken je aan en vertellen je hoe het zit. Of liever, ze vertellen je hoe hun schilder zeker weet dat het gesteld is in de wereld.

Ik kijk naar Auerbachs doeken en weet niet goed wat ik ermee aan moet. Om te beginnen ben ik bang dat ze voorover dreigen te vallen, topzwaar van al die dik gesmeerde verf. Wat ik zie is een gevecht, of er met taarten is gegooid en met modder gesmeten. Ik voel de bedoeling. Auerbach wil net als Bavink, die ene van Nescio’s Titaantjes, de zon schilderen. En het gaat ze niet om de zon zelf. Hun doel is het aanzien van de wereld te vangen, daarom jagen ze op het licht waarmee de zon de werkelijkheid boetseert. Nescio’s Bavink wordt krankzinnig omdat hem dat niet lukt. Auerbach zag bij Rembrandt hoe hij het licht kon dresseren. Hoe hij de kleuren kan laten wankelen, hoe een schilderij een vleug krijgt – strijkt je blik er van rechts naar links over dan zie je iets anders dan wanneer je blik er van links naar rechts over gaat. Met klonten doet hij het, met wormvormige verf.

Hoe zit het met de klodders van Rembrandt? Ik steek over naar zijn Joodse Bruidje. Heel anders dan Auerbach. Maar door diens werk aangestoken (toch die dialoog?) zie ik ineens een landschap in de mouw van de bruidegom van het Bruidje. Gele bloesem, greppels. Een boomgaard in augustus.

Ik richt me op. Kijk naar Auerbachs schilderijen. En herken nu dan, op meters afstand, een glooiend gebied. In de zomer, in de winter, zoals zich dat kalmpjes ontvouwt als je er wandelt. En op alles sabbelt het licht.

Het kan ook andersom: de foto’s van de Amerikaan William Klein, te zien in het fotomuseum Foam, zuigen het licht juist op. Zwart is zwart en wit wit. Ertussen parelt grijs, alsof de foto het zweet uitbreekt.

Elke foto van Klein is een stomp. Hij maakte ze alsof hij zijn onderwerpen bezweerde. Vaak zijn het armoedige mensen, niet zelden zijn ze kansloos. Maar voor Kleins camera blaken ze van levenslust. Ze zijn er, ze bestaan, wat kun je in vredesnaam nog meer verlangen? Niets! Dat leert deze man met zijn camera hun. William Klein is fotograaf, maar hij doet als Frank Auerbach: ook hij laat het licht betekenis neervlijen in een beeld. Hard licht, in zijn geval (Auerbach kneedde het licht tot zachte kruimels).

Ik kijk naar de modefoto waarvoor Klein twee mannequins over een druk zebrapad joeg (wit is wit, zwart is zwart). Hij bespiedde ze met een telelens, zodat ze, inclusief hun haute-couturejaponnen, versmelten met de werkelijkheid. Die werkelijkheid heeft niet door dat hij wordt geïnfiltreerd en dat is magisch.

In het theater zit ik bij de nieuwe voorstelling van De Warme Winkel. Het gezelschap doet zich voor als een stel losgeslagen zwervers, intussen maken ze de ene na de andere weergaloze voorstelling. Deze heet We are Your Friends en hij is angstaanjagend. Maar echt, dus, het is geen grapje. Eerst spelen ze voor ons de vernedering van een prutkunstenaar die alles (en dat is in dit geval heel veel) doet wat het moderne kunstestablishment van hem vraagt. Maar blozen doen we pas als er een Roma-echtpaar het podium opkomt. Maria Kraakman en Ward Weemhoff. Het zijn acteurs, dat weet ik en dat weet iedereen in deze zaal. En zij weten dat wij weten dat zij geen echte zigeuners zijn en dat hun blèrende baby een pop is. Tot zo ver de werkelijkheid. Maar terwijl wij rekenen op de codes van het theater, wringen hun personages zich in onze realiteit en dat doen ze zo goed dat we geen verweer hebben. We weten niet waar we moeten kijken en zij weten niet van ophouden.

Dit is geen Publikumsbeschimpfung, dit is veel ingewikkelder, het is publieksbeschaming en het valt niet te negeren. De Warme Winkel bewijst de macht van het theater, kaapt de realiteit en maakt er glorieus misbruik van.