Adoptiekippensoep

Thuiskok Marjoleine de Vos zit in haar gewoon-kokenfase. Ze maakt kippensoep, van een volwassen soepkip. Met mais uit blik. foto Holger Niehaus

Dat we wel weer eens ‘gewoon’ willen doen, beweerde ik vorige week in deze rubriek, en niet steeds recepten volgen die je dwingen om eerst diep na te denken over je boodschappen en waar je die gaat halen. Maar ja, wat is gewoon? Wie kweeperenpasta heeft gemaakt, vindt een gerecht met membrillo tot het gewone repertoire behoren, wie eerst moet zien dat zij membrillo in huis haalt, vindt zo’n gerecht weer een voorbeeld van ingewikkeld gedoe.

Gewoon zijn alle dingen die je maakt zonder er van alles op na te hoeven slaan. Laatst was ik op een jarenzeventigavond. Iedereen zou iets maken dat in die tijd paste. Dus aten we bij de borrel zoute stengeltjes en blokjes kaas met een zilveruitje en hamrolletjes met augurkjes erin. Wat was dat eigenlijk allemaal lekker! Hoe veel beter smaakt een blokje kaas met een zilveruitje bij een glaasje jenever, dan een stuk Turks brood met humus of gummi mozzarellaknikkertjes met tomaat uit de olie. Zelfs aan die borrelhapjes zag je alweer dat je beter iets kunt doen dat klopt dan iets doen met eigenlijk onverkrijgbare ingrediënten. Weliswaar kunnen we overal mozzarella kopen, maar negen van de tien keer is daar helemaal niets aan. Verder aten we spruitjestaart, gevulde paprika’s, macaroni met ham en kaas. Alles smaakte prima.

Niet béter dan de dingen die je vandaag de dag maakt, macaroni met ham en kaas is een nogal basaal gerecht. Ik zag eens op een documentaire een hele Italiaanse pastafabriek de slappe lach krijgen toen ze onze elleboogjesmacaroni zagen en het fabrieksproefpanel van afgrijzen verbleken toen ze het moesten eten. De meeste pasta’s die iedereen nu zonder nadenken kan maken, zijn heel wat geslaagder. En die voelen ook al lang ‘gewoon’.

Ik stond over dat alles te denken terwijl ik bezig was de enorme kip te verwerken die ik van een bevriende boerin had gekregen. Haar schoondochter deed in Wageningen onderzoek naar het broedgedrag van kippen. Daarna zouden de kippen vergast worden. Dat vonden de schoondochter en ‘mijn’ boerin en haar man zonde, en zij namen veertig kippen op, gaven ze een poosje normaal te eten en slachtten ze vanaf 1.100 gram gewicht. De mijne was al 2 kilo.

Dat is heel wat anders dan een regulier vleeskuiken. Want dat zijn het: kuikens. Vleeskippen (in tegenstelling tot legkippen) worden zo jong geslacht dat ze nog niet eens geslachtsrijp zijn. Zes weken leven ze, meer niet.

Dat de kippen zo jong zijn, en weinig bewogen hebben, maakt dat hun vlees heel zacht is. Een kip die haar spieren heeft gebruikt, krijgt ‘steviger’ vlees – als je het aardig wilt zeggen, ‘taaier’ zou ook een woord zijn. Maar met het ouder worden krijgt het ook veel meer smaak, vandaar dat altijd wat oudere kippen aangeboden worden als soepkippen. En een ouder dier heeft bovendien meer vet op de botten, ook nogal logisch, en ook bekend van de soepkip.

Gifbom

Mooi lichtgeel vet was het, in mijn kip, en het leek me doodzonde om het weg te gooien. Dus smolt ik het uit en bakte in een lepeltje ervan de ook al behoorlijk grote kippenlever die verrukkelijk was. Zó moet kippenlever zijn, zacht en smeltend smakelijk, niet een naar kippenvoer smakende gifbom. De rest van het vet maakte ik op smaak (zie hiernaast) en daar smoorde ik de bouten in alsof ik confit de canard maakte. De rest van het vlees netjes van het karkas gehaald (vleugels, filets) en ingevroren voor later, en het karkas zelf gebruikt om bouillon van te trekken.

Toen was de vraag: wat voor ‘gewoons’ ga ik doen met die bouillon? En omdat ik nu eenmaal in een ‘ik heb niet zo’n zin in een streng kookboek’-stemming was, besloot ik om een eigen versie van hot-and-sour- soep te maken, zonder authentieke details. Dus gewoon soep met een Aziatisch tintje, aangepast aan Europese keukenkastjes en dito luiheid.

Heerlijk was ’ie. Met even gebakken rode peper, knoflook en verse gember, daar sojasaus bij, een scheut sherry, een scheut vissaus. Allemaal in de bouillon doen waarin je achtereenvolgens mie, fijngesneden kool en spinazie en/of taugé kookt. Klein scheutje zoete ketjap ook erbij omdat wat zoet de smaak verhoogt. Paar dunne ringetjes van lenteuitjes erdoor. Half blikje ‘crispy’ maiskorrels van Bonduelle (lekkerder krijg je mais alleen als je hem zelf van het veld kunt plukken). Scheutje chiliolie tot besluit.

Oef, wat was dat lekker ‘gewoon’ eten zeg. Zolang er geen hoog Chinees bezoek verwacht wordt, of een delegatie puristen, is het heerlijk om een beetje makkelijk te improviseren met smaken die je associeert met pittig-zure, lekker hartige Aziatische soep.

Weer eens wat anders dan kippenragout maken van het karkasvlees en een scheut van de bouillon, al is dat ook altijd erg lekker.

Zo’n flinke (soep)kip biedt veel mogelijkheden, en veel smaak. Een poosje geleden had ik, van de onvolprezen online vleesleverancier OKvlees, een ‘Mechels hoen’, ook al zo’n joekel dat iets meer uit het leven had mogen halen dan de gemiddelde ongelukskip. Dat leverde ook die geweldig lekkere, intense kipsmaak op, een smaak die je bijna vergeten bent als normale kippenconsument, zelfs als je altijd biologisch opgevoede montessorikippen eet.

Gewóón koken is erg fijn.