‘We kiezen de storm niet, de storm kiest ons’ ‘We moeten ons idealisme snel terug vinden’

De assistent wilde geen vragen over politiek en een strak tijdschema, maar op Hawaii toont Murakami zich zeer flexibel en vriendelijk.

Een logischer plek om Haruki Murakami te treffen dan Hawaii is nauwelijks denkbaar: halverwege Japan en het vasteland van Amerika, op een archipel die tegelijk echt en illusoir is. Het is december, en Murakami zit in de laatste weken van zijn gastschrijverschap aan de Universiteit van Hawaii. Hij houdt kantoor in Moore Hall, een leerfabriek in de heuvels boven Honolulu. Het betonnen trappenhuis ligt vol bouwmaterialen en stof, aan het stucwerk haal je zo je nette jasje open, het behang bladdert, de tegelvloeren herinneren aan grootmoeders pannenlappen. Posters voor Cool Japan en Japanese Careers hebben hun kleuren prijsgegeven aan de tijd. In de verte prikken de steriele hoteltorens van Waikiki Beach in een Hockney-blauwe lucht.

Al vijfendertig jaar bereist Murakami een eigen universum waarin de grens tussen het aardse en surreële poreus is geworden. Hij schrijft over buitenstaanders die leven in een stedelijke wereld die is samengesteld uit gelijke delen Japanse en Amerikaanse cultuur. Spirituele detectives. De nieuwste roman van de gedoodverfde Nobelprijswinnaar is De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren, waarin de titelfiguur zonder waarschuwing of verklaring wordt verstoten door een bijzonder hechte vriendengroep. De pijn heeft zich door de jaren in zijn binnenste verhard, tot een nieuwe vriendin hem dwingt te onderzoeken wat er nu eindelijk in zijn studententijd is voorgevallen.

Murakami, 64 inmiddels, blijkt een kleine, afgetrainde man die je liever de hand schudt dan dat hij voor je buigt. Hij draagt een korte broek – een straatschoffie met een vroeg oud hoofd. De kamer waarin hij me binnen noodt is hooguit anderhalve bij twee meter groot. De inrichting is Spartaans: een boekenkastje met eigen werk en een stalen bureau waarop een foto van zijn literaire held Franz Kafka rondslingert. Murakami spreekt afgemeten Engels met een topzwaar accent, soms met lange pauzes waarin hij zich helemaal in zichzelf lijkt terug te trekken, zijn woorden en gedachten wegend. Lachen kan hij gelukkig ook.

Ik lees hem een passage voor uit Waarover ik praat als ik over hardlopen praat (2007), zijn boek over romanschrijven, het lopen van marathons, en de parallellen tussen die twee. Daarin omschrijft Murakami zichzelf als een werkpaard, niet een racepaard. ‘Om de bron van creativiteit te bereiken moet ik met een beitel in de hand de rotsen splijten.’ Met de jaren, schrijft hij, heeft hij zich zowel fysiek als technisch de vaardigheden aangeleerd om snel nieuwe bronnen te vinden. Wat deed in het geval van De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren het water stromen?

Murakami: „Dit boek is ontstaan uit een simpel gegeven. Of beter: een wond. Tsukuru Tazaki wordt verstoten door vrienden, iets wat mezelf ook is overkomen. Niet één keer, maar vaker, en vooral op latere leeftijd. Je zou over een patroon kunnen spreken. Ik ben zeer onafhankelijk, volledig gericht op de eisen van mijn werk. Daar voelen sommige mensen zich uiteindelijk niet prettig bij. Ze keren zich af. Hoe onafhankelijk ik ook ben, die afwijzing kwetst me.”

Als het u op latere leeftijd overkwam, waarom dan toch gekozen voor een jongere hoofdpersoon?

„Jonge mensen zijn kwetsbaarder. Ervaringen zijn nieuw en vers en dat biedt meer mogelijkheden ze te onderzoeken. Maar eerlijk gezegd had ik ook het gevoel dat mensen van mijn leeftijd minder het recht gegund is om diep gekwetst te zijn. Pijn heb je maar te verbergen. Lezers zouden met een oudere hoofdpersoon minder makkelijk kunnen meevoelen.”

Het boek vertelt over zowel de kracht als het gevaar van intense vriendschappen. In eerder werk, met name ‘Norwegian Wood’ (1987), speelt het destructieve potentieel van vriendschap ook al een rol.

„Vriendschap is ingewikkeld. Toen ik jong was, had ik voldoende vrienden, maar onze levens zijn te veel veranderd. Nieuwe vrienden maken is lastig. Schrijven is een eenzaam vak, geschikt voor egoïsten. Mensen houden misschien van boeken, maar van de persoonlijkheid van een schrijver?”

U heeft uzelf weleens als ‘saai’ en ‘niet al te slim’ omschreven. Soortgelijke dingen denkt de ‘kleurloze’ Tsukuru Tazaki over zichzelf.

„Ik weet dat als ik schrijf, ik anders ben dan anderen. Maar zodra ik wegloop van mijn schrijftafel ben ik niets bijzonders. Het bureau is voor mij wat de telefooncel is voor Superman, met dien verstande dat Superman in zijn dagelijkse kloffie alleen maar doet of hij doorsnee is. Ik bén het. Zeker als tiener dacht ik wat Tsukuru Tazaki denkt. Welke bijzondere gaven heb ik nou helemaal? Geen enkele.”

Maar laat dit boek niet zien dat Tsukuru Tazaki helemaal niet kleurloos is?

Verbaasd: „Denk je?”

Misschien bent u ook niet zo kleurloos?

„Hm…” Na lang nadenken: „Dat zou ik niet durven zeggen.”

Namen spelen een belangrijke rol in dit boek. Iedereen in de groep heeft een kleur in zijn naam, behalve Tsukuru.

„Het vraagstuk van namen heeft me lang beziggehouden. In mijn eerste boeken hebben de personages geen namen, in de traditionele zin. De verteller is altijd een naamloze ik – boku –, anderen heten J of de Rat. Ik voelde me opgelaten bij het idee iemand een naam te moeten geven. Alsof ik me de rol van God wilde aanmeten. Dat zegt, denk ik, vooral iets over mijn verhouding tot mijn schrijverschap.

„Ik was schrijver, maar ik voelde me ongemakkelijk bij dat idee. Niet dat ik twijfelde over mijn vaardigheid, zeker niet, ik twijfelde of ik mezelf wel schrijver kon noemen. Uiteindelijk besloot ik een realistische roman te schrijven, Norwegian Wood. Als je realisme ambieert, worden namen belangrijk. Het was een uitdaging aan mezelf. Zo gaat het eigenlijk bij elk boek: ik leg de lat mentaal op een bepaalde hoogte, en neem me voor die hoogte te halen. Als het boek voltooid is, is er de voldoening.”

‘De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren’ is de meest traditionele roman die u heeft geschreven sinds ‘Norwegian Wood’. Over dat boek heeft u ooit gezegd dat het een bewuste poging was door te breken naar de mainstream. Tegenwoordig verkoopt u miljoenen exemplaren wereldwijd, dus doorbreken lijkt me niet langer de motivatie.

„Vóór Norwegian Wood verkocht ik gegarandeerd 100.000 exemplaren. Niet slecht, maar ik voelde dat ik veel meer mensen zou kunnen bereiken. Ik ben ambitieus, ook wat dat betreft. Norwegian Wood was de koevoet waarmee ik de poort kon openbreken. En na dat boek, zei ik tegen mezelf: oké, dit kan ik dus, maar het is niet wat ik wil. Ik was nog steeds dezelfde schrijver, en daaraan moest ik recht doen. Waarom ik nu toch weer getrokken word door het realisme, kan ik niet zeggen. Ik heb niets te bewijzen. Misschien is het omdat ik ouder ben? En wat kan het eigenlijk ook schelen? Ik ben nergens bang voor. Ik kan schrijven wat ik wil.”

Ik had het gevoel dat het een reactie was op 1q84 (2009), het complexe drieluik dat u vóór dit boek schreef.

„Ik wilde zeker niet direct nóg zo’n boek schrijven! Toen ik aan 1q84 begon, was het maar een klein idee. Iemand stapt uit een taxi en klimt van een verhoogde snelweg naar beneden. Wat gebeurt er? Dat idee kreeg ik toen ik op een snelweg in Tokio vast kwam te staan. Daarna groeide en groeide het onder mijn handen. Of dat me zorgen baarde? Nooit. Ik had geen idee waar het naartoe ging, maar dat houdt me nieuwsgierig. Het niet-weten is de motor.”

U werkt zonder plot, zonder synopsis?

„John Irving vertelde me ooit dat hij het eindpunt van zijn romans niet kent, maar wel piketpalen slaat. Ik heb geen enkele bewegwijzering. Het is reizen zonder landkaart. Het enige wat ik nodig heb is zelfvertrouwen – het geloof dat ik ooit, op een dag, het verhaal waaraan ik begin ook daadwerkelijk zal kunnen beëindigen. Voordat ik die kracht in mezelf voel, begin ik niet eens.”

Norwegian Wood zou voor Murakami geen onverdeelde zegen zijn. Het boek was zo’n verpletterend succes in eigen land, dat hij er zich niet langer prettig voelde. Hij ontvluchtte de aandacht en woonde acht jaar in het buitenland, in Italië, Griekenland en, vooral, Amerika. Ook gaf hij steeds minder interviews. Hij vergaarde de reputatie van iemand die met tegenzin spreekt en lastig te interviewen is, een beeld dat door hem zelf niet wordt ontkracht.

De deur van zijn kamer in Moore Hall is niet behangen met Japanse noren-gordijntjes, maar met een gelamineerd vel waarop een uitdrukkelijk verbod op opnemen en fotograferen van de gastschrijver staat. En voorafgaand aan het gesprek had zijn assistente vanuit Tokio strikte instructies gezonden: geen seconde langer dan de vooraf afgesproken tijd, en géén politieke onderwerpen graag. Op beide punten zal Murakami verrassend flexibel blijken.

„Soms beleef ik zelfs plezier aan interviews. Als schrijver ben je nooit zo goed verbaal als op papier, maar ik moet het zo nu en dan proberen. Lezers willen een stem horen bij het werk. Ik moet er simpelweg voor waken dat het er te veel worden. Allemaal een kwestie van discipline.”

Is er angst teleur te stellen?

„Wie? Mezelf? Ik ben geen geestige of overdreven intelligente man. Dus ik verwacht niet dat ik heel scherp uit de hoek ga komen. Als je jezelf goed kent, kun je jezelf moeilijk teleurstellen.”

Uw werk is heel intuïtief. Erover praten kan tot creatieve verlamming leiden.

„Daar ben ik niet bang voor. Weet je, mijn brein is nogal eigenaardig. Als ik aan het schrijven ben, kan ik het in tweeën splitsen. Dat ontdekte ik tijdens het schrijven van Hardboiled-Wonderland en het einde van de wereld (1985). Dat boek bestaat uit twee parallelle werelden. Ik had geen idee hoe die uiteindelijk bij elkaar zouden komen en hoe ze zich tot elkaar zouden verhouden. Maar ik voelde intuïtief dat het goed zou komen. Ik zou tegelijk games kunnen programmeren én spelen, zonder dat ik, de speler, zou weten hoe ik, als programmeur, het spel bedoeld heb.”

Hawaii is een interessante locatie. Een groot deel van de eilanders heeft Japanse wortels, maar tegelijk is er de herinnering aan Pearl Harbor.

„Ik woon hier vooral omdat het vanuit Tokio maar zes uur reizen is. Mijn moeder is negentig en sukkelt met haar gezondheid. Als ze fitter was geweest, had ik mogelijk in New York of Berlijn gewoond.”

Evengoed toeristische bestemmingen die anonimiteit impliceren.

„Dat is waar. Wat ik fijn vind aan Hawaii is dat het er onrealistisch uit ziet en toch echt is. De mensen die er wonen en werken zijn echte mensen, met echte levens, al zien toeristen vooral een sprookjesland.”

U sprak over discipline. Hoe ziet uw schrijfdag eruit?

„Ik sta vroeg op, om een uur of vier, en werk minimaal vier à vijf uur per dag. Elke dag. Soms zelfs tien uur, maar dat is zeldzaam. Het is een fysiek veeleisende bezigheid, dus ik probeer fit te blijven door dagelijks hard te lopen en te zwemmen. Zonder fysieke kracht geen discipline; zonder discipline geen fysieke kracht. Om tien uur ga ik naar bed. Voor mij geen nachtleven.”

Voelt u zich ooit schuldig over uw manier van leven?

„Mensen verwachten misschien dat schrijvers kleurrijker zijn. Zoals Hemingway, Fitzgerald of Dostojevski. Maar zo ben ik niet.”

Ik bedoel eigenlijk: jegens uw vrouw of vrienden. Schrijvers zijn vaak ontoegankelijk. Ze leven in hun hoofd.

Hij lacht: „Wie zich daarover schuldig voelt, zal niet lang schrijven! Al moet ik zeggen: voor mijn veertigste was ik flexibeler. Met het jonge lichaam valt nog te woekeren, later wordt discipline doorslaggevend. Mijn voldoening komt uit het werk, en een paar kleine liefhebberijen, zoals het verzamelen van vinyl.”

Met het uithoudingsvermogen van Murakami zit het wel goed. In 2014 viert hij vijfendertig jaar schrijverschap, een lange carrière waarin hij zelden blijk heeft gegeven van afgenomen vitaliteit. Een carrière die, naar eigen zeggen, ontstond als bij donderslag. Eind jaren zeventig zat hij in het Jingu Stadion, waar zijn favoriete honkbalteam, de Yakult Swallows, een middagwedstrijd afwerkte. Precies op het moment dat slagman Dave Hilton het tweede honk rondde, dacht Murakami: ‘Ik ga een roman schrijven. Dat kan ik.’ Murakami runde in die tijd een jazzbar met zijn vrouw. Hij was 29.

Wanneer ik suggereer dat dat verhaal toch iets te fraai is, protesteert Murakami. „Nee, zo ging het. Heus. Het was alsof er veren uit de lucht vielen, en ik mijn handen maar hoefde uit te steken om ze op te vangen. Mijn eerste romans, Hear the Wind Sing en Pinball, 1973 (op instructie van Murakami niet buiten Japan uitgebracht) schreef ik tussendoor, op misschien twintig procent van mijn vermogen. Toen besloot ik de club te sluiten, en me volledig op schrijven toe te leggen.”

Het boek dat u vervolgens schreef, ‘Jacht op het verloren schaap’ (1982), heeft alle elementen die in uw werk zijn blijven terugkeren. De outsider die een speelbal van omstandigheden wordt, de intuïtieve opbouw, het magisch-realisme.

„Je zegt: magisch'-realisme, maar voor mij is het zo echt als de wereld. Het is míjn realisme. Murakami-realisme. Het valt me op dat vooral Europeanen en Amerikanen erg bezig zijn met labels. Magisch-realisme. Postmodernisme. Noem maar op. Aziatische lezers staan daar nooit bij stil.”

In ‘Kafka op het strand’ (2002) schrijft u: ‘Wanneer je uit de storm tevoorschijn komt, zal je niet dezelfde persoon zijn als degene die de storm inliep. Dat is waar die storm over gaat.’

Glimlach. „O ja, dat herinner ik me.” Serieuzer: „Ik wil zélf veranderen tijdens het schrijven van een boek. Als de reis niets met me gedaan heeft, dan is de reis zinloos geweest. Mijn personages doorstaan de storm, maar ikzelf en de lezer ook. Iedereen moet na het verhaal ten goede veranderd zijn, hoe duister, zwaar en deprimerend het ook is. In die zin ben ik een moralist. Vergelijk me met de verteller die in een donkere grot de holenmensen moed inspreekt en zich wapent tegen de nacht.”

U deinst er niet voor terug dingen onopgehelderd te laten. Ook in Tsukuru Tazaki weten we niet precies hoe een aantal misdaden in elkaar steekt.

„Het doet er niet toe. Het draait om de verandering. Als die heeft plaatsgegrepen, is het verhaal voltooid.”

U noemde schrijven ooit een zeer ongezond beroep, omdat de schrijver zichzelf moedwillig blootstelt aan het gif in de geest.

„O ja, ik kan het voelen als ik aan het schrijven ben. Als je naar bepaalde plekken gaat, komt er iets kwaadaardigs mee. Zonder gif zou een verhaal niet boeien.”

Wat is dat gif? Eenzaamheid?

„Eenzaamheid is voor mij een natuurlijke staat. Ik heb het over iets wat onnatuurlijk en kwaadaardig is. Een gevoel… nauwelijks in woorden te vatten. Gelukkig kan ik, zoals gezegd, mijn brein splitsen. Ik heb de kracht elk moment voor de gezonde kant van de scheidingswand te kunnen kiezen. Maar wee als ik een misstap maak...”

Heeft u een verklaring voor uw succes buiten Japan?

„Die vraag heb ik vele mensen gesteld. Ik ben er zelf wel benieuwd naar.”

Laat me een paar mogelijkheden schetsen. U heeft lang in het buitenland gewoond. Uw kosmopolitische voorkeuren – bijvoorbeeld qua eten en muziekvoorkeuren – zorgen dat zowel Japanse als westerse lezers tegelijk iets exotisch en iets vertrouwds geboden wordt.

„Ook als ik in Japan gebleven was, zou dit succes hebben kunnen gebeuren. Het zit niet in levensstijl, het zit in hoe mijn geest werkt. Ik ben wellicht door die afstand Japan scherper gaan zien, maar als verhalenverteller ben ik dezelfde gebleven. Ik heb grote liefde voor de Japanse taal. Een prachtig instrument, hoewel ik het doelmatig gebruik. Niet zoals Kawabata, Tanizaki of Mishima, voor wie de schoonheid van taal een doel op zich was.”

U schrijft over mensen die onthecht zijn, soms freelance, soms werkloos. Losse familiebanden, weinig vrienden. Terwijl Japan lang het land was van sterke familiebanden en trouw aan één werkgever. De laatste jaren is, door de economie, het leven van jonge Japanners meer op dat van uw hoofdpersonen gaan lijken.

„Inderdaad, mijn personages werken niet voor Mitsubishi of Sony, maar voor zichzelf. Ze willen oprecht in het leven staan. Veel jonge mensen in Japan zoeken zo’n leven. Toen ik jong was, was de samenleving intens conformistisch. Mijn ouders waren diep teleurgesteld dat ik niet voor een grote firma ging werken, maar een jazzcafé begon. Ik was een outcast. Nu zijn er veel meer mensen zoals ik. Ik denk dat veel lezers op zoek zijn naar rolmodellen. Mijn verhalen wijzen ze in zekere zin de weg.”

Wat uw werk vooral uitvergroot is het knagende gevoel dat er iets niet klopt, al weten we niet wat. Het leven is te complex geworden, macht te ondoorzichtig.

(Na lang nadenken.) „Mijn werk werd in Duitsland ontdekt na de val van de Berlijnse Muur. En in Amerika na 11 september. Opvallend… Ooit was alles helder: een kapitalistisch blok hier, een communistisch blok daar. De wereld is zoveel onduidelijker geworden. Mensen voelen zich klein en hulpeloos.

„Ik heb weleens de kritiek gehad dat mijn personages zo passief zijn, vooral in mijn vroege werk. Maar zijn mensen dan niet passief? Een klassieke held gaat op reis om een draak te doden, nu hoef je geen lange reis meer te maken. Het komt gewoon naar je toe. En het is geen draak, het zijn mensen, en soms dingen die je niet eens kan zien. De storm. We kiezen de storm niet. De storm kiest ons.”

In 2009 gaf Murakami in Israël een controversiële lezing, waarin hij zei: ‘Als ik moet kiezen tussen een hoge, solide muur, en het ei dat tegen die muur kapotslaat, sta ik altijd aan de kant van het ei.’ Het was een zeldzaam politieke uitspraak van de meestal terughoudende schrijver, en één die zowel bewondering als afschuw opriep. „Toen ik die speech gaf”, zegt hij nu, „werd gedacht dat ik bedoelde dat de Palestijnen de eieren zijn, en de Israëliërs de muur. Maar het is gecompliceerder. Iedereen kan ei én muur zijn. Als het Palestijnse raketten regent op je wijk ben je als Israëliër het ei. En als Israëlische straaljagers uitrukken is de Palestijn het ei.”

Ik vatte het op als een mission statement. Een sleutel tot uw werk.

Hij knikt. „Je verzetten tegen de grotere machten.”

Zoals u zich eigenlijk al een leven lang verzet. Door tot afschuw van uw ouders een jazzclub te beginnen. Door schrijver te worden.

„Mijn vader en moeder doceerden beiden Japanse literatuur. Dus besloot ik een hekel te hebben aan Japanse literatuur. Daar begon het mee. Toen ik jong was, las ik alleen maar buitenlanders. Dostojevski. Kafka. Veel schrijvers uit de 19de eeuw. Geweldig. Maar ook detectives, sciencefiction en veel Amerikanen. Geen Japanse schrijver heeft op mij de invloed gehad die Raymond Chandler of F. Scott Fitzgerald hadden. Beiden lees ik nog steeds, en beiden heb ik vertaald.”

Met de jaren lijkt uw werk minder zelfgericht geworden. Niet alleen is de ik-vorm, de boku, geweken voor de derde persoon, uw werk voelt humaner. Zeker na 1995, het jaar van de Kobe-aardbeving en de terreuraanslag op de metro van Tokio. U kwam terug naar Japan en schreef ‘Underground’ (1997) en ‘Na de aardbeving’ (2000).

„Het was een belangrijk jaar, zonder meer. Ik had het gevoel dat ik in mijn werk meer open moest staan voor de wereld. Ik wilde verantwoordelijkheid nemen. Ik ben opgegroeid in Kobe. Het huis van mijn ouders is die dag ingestort. De aardbeving en de sarin-aanslag door de Aum Shinrikyo-sekte waren twee dreunen voor een toch al wankele bevolking. Japan veranderde enorm in de jaren negentig. Het economisch wonder leek uitgewerkt, mensen werden introspectief. Wat is er met ons gebeurd? We zijn rijker geworden, waarom zijn we dan niet gelukkiger? We waren bang, verkeerden in vertwijfeling. Het was een moment om weer idealistisch te zijn.”

Hoe kijkt u aan tegen het huidige Japan, na de tsunami en na Fukushima?

„We moeten ons idealisme snel hervinden. We moeten onze kerncentrales sluiten en bouwen aan een nieuw land. Dit is hét moment voor zelfvertrouwen. Maar ik vrees dat de window of opportunity alweer aan het sluiten is. De regering van president Abe is absoluut niet van plan kerncentrales te sluiten. Ondertussen wordt het leger versterkt en China steeds meer gedemoniseerd. We hebben rechts-radicalen aan de macht. Dat is een groot probleem.”

Voelt u geen aandrang een zegsman voor links te worden?

„Zo nu en dan doe ik mijn zegje. Maar in de kern ben ik een verhalenverteller. Dat is wat ik kan. Ik zal mijn raam open doen en iets naar de mensen schreeuwen. Maar daarna moet het raam weer dicht, en moet ik me op het werk concentreren.”

Er valt een lange stilte, en dan slaat hij zijn blik weer op. „En toch… Ik zoek wegen om iets te doen. Als ik iets kan doen, zal ik het doen. Maar waar, hoe en wanneer? Ik weet het niet…”

Na het interview biedt Murakami me een lift naar Waikiki Beach aan. Onderweg vertelt hij over zijn droom om ooit weer een jazzclub te openen, over de landen waar hij gewoond heeft, en over de muziek die hij beluistert. („Klassiek is voor de productieve uren in de ochtend, de avond is voor jazz.”) En hij heeft het over zijn opluchting wanneer het Nobelprijs-seizoen weer voorbij is. Wat een waanzin dat journalisten hem lastigvallen vanwege wat noteringen bij een Brits wedkantoor! Alice Munro gunde hij de prijs van harte. „Ik heb onlangs een verhaal van haar vertaald. Ik hem me daar zeer mee vermaakt.”

Hij zet me af, op de hoek van Kalakaua en Kaphulu, waar de zwervers op het trottoir liggen, genegeerd door aangebrande badgasten en het zwaar beladen winkelpubliek. Op het strand draait een filmcrew een scène voor de televisieserie Hawaii Five-O. Murakami zwaait nog één keer vanachter het stuur. Dan slaat de Mini Cooper af en is alles weer normaal.