Veilig achter het melkglas

In de gebundelde verhalen van Willem Brakman komt eens te meer naar voren hoe de schrijver zijn buitenstaandersschap koesterde. Gaat Brakmans ster nu hoger rijzen?

Remco Campert schreef ooit een ode aan zijn jas, maar dat je zo’n kledingstuk ook heel goed kunt benijden demonstreert Willem Brakman (1922-2008) in het verhaal ‘Rendez-vous in de dierentuin’. Een leraar, die net tot de ontdekking is gekomen dat wat hij hoort geen ‘oerwoudtrom’ is maar ‘zijn eigen berstende hart’, loopt in opgelaten toestand een halletje in en ziet daar een paar jassen aan een kapstok hangen. ‘Doodstil en verzonken’ hangen ze daar, ‘en in zo’n veilige, oneindige rust dat hij er jaloers op was’.

Jaloers op een jas: wie er op let zal het opvallen hoe vaak Brakman in de nieuwe bundel met al zijn verhalen schrijft over participatie versus onttrekking. In de allereerste verhalen, uit de vroege jaren zestig, vatte hij dit in het verschil tussen waken en slapen. De personages, veelal adolescenten, dommelen en knikkebollen nogal wat af. Je krijgt de indruk dat de tuchtigende werkelijkheid, getoonzet door docenten en ouders, de jongeren dusdanig afmat dat ze het liefst zo snel mogelijk een stil hoekje op willen zoeken waar ze kunnen dromen, in slapende of wakende toestand.

In een spaarzaam Brakman-filmpje op internet, getiteld ‘De introvert’, legt de schrijver uit hoe hij in het leven stond. Hij nam er geen deel aan, zo legde hij uit, er zat een dusdanige distantie tussen hem en de wereld, dat hij het idee had er ‘als door een glasplaat’ naar te kijken. Tja, welke schrijver zou zoiets nu niet beweren, zult u zeggen, schrijven is toch per definitie afstand nemen. Maar bij Brakman levert dat geconstateerde isolement in zijn werk iets anders op – ik zeg hier voorzichtig iets ‘unieks’ – dan bij andere auteurs. Waar andere auteurs zich er voor inspannen om hun glasplaat schoon te houden om maar niets van de wereld te missen, daar lijkt me Brakman eerder iemand die zich achter melkglas bevond. Licht viel er wel doorheen, en het rumoer aan de andere kant was er wel te horen, maar werkelijk scherpe beelden wilden er niet doordringen.

En daar had hij geen enkel bezwaar tegen, want van enige pijn van het ‘buitenstaandersschap’ is, in elk geval in deze verhalen, weinig sprake. Brakman richtte de blik liever op het eigen geestesleven, dan op die vermaledijde werkelijkheid van alledag, die weliswaar vol leven en warm bloed is, maar waar toch ook blunder op blunder wordt gemaakt. Men disciplineert de eenling, vervangt schoonheid met eentonigheid en heeft zich als hoogste doel gesteld, zoals in een verhaal wordt opgemerkt, de verveling te verdrijven. Brakman moet dat melkglas hebben gekoesterd, en heeft zich er meer voor ingespannen om barstvorming te voorkomen dan om er doorheen te breken.

Nieuw leven

Wat was mogelijk achter glas? Veel, zo blijkt. Vastgeroeste verhalen, zoals religieuze, blies hij nieuw leven in door ze te herschrijven of te vervormen. Dat zorgt voor taferelen die sowieso bijna altijd verrassen. Maar ook frapperen ze, omdat ze niet altijd even goed te plaatsen zijn. Zoals criticus Arjan Peters, die de bundel met een voorwoord inleidde, al opmerkt over het raadselachtige wezen dat in het verhaal ‘Engel in de nabijheid van een verzorgingsflat’ uit de lucht komt vallen. Waar zou het wezen voor ‘staan’? Een engel?

In andere verhalen ligt de achterliggende gedachte er wat dikker bovenop. Neem ‘Herfstmaneuver, of de veldoefening van een soldaat in de herfst’, een lang verhaal dat verwantschap vertoont met Haseks roman De lotgevallen van de brave soldaat Svejk of of Jiri Menzels verrukkelijke film Hou de trein in het oog, en waarin een man van middelbare leeftijd (die in de openingszin ook weer ‘slaperig’ naar zijn eigen ‘dikke dijbenen’ staart) voor militaire dienst wordt opgeroepen. Of in ‘Water als water’, over een jongen die al dan niet in de padvinderij opgaat. Tweemaal de lokroep van de uniformiteit in uniform.

Maar zal Brakman postuum nog nieuwe lezers aan zich weten te binden? Peters spreekt in elk geval de hoop uit dat deze bundel een wervende uitwerking zal hebben en de tientallen romans van Brakman, waarin ‘alle remmen losgaan’, een groter publiek zullen vinden dan ze nu hebben. De verhalen is een moedige uitgave, maar het is maar zeer de vraag of Brakmans ster er opnieuw, of hoger, door zal rijzen. Want hier komen we aan bij het moeilijkste punt van zijn werk, de veelal afwezige emotionaliteit.Bewonderenswaardige zinnen genoeg, maar ze maken deel uit van composities die in hun totaliteit weinig bij de lezer losmaken. Forse blokken tekst komen op je af; in alinea’s die vaak meer dan een enkele pagina beslaan, en waarin citeerbare zinnen over elkaar heen buitelen, maar zonder dat er enige vonk van afslaat.

Arbeidsethos

Een vergelijking met het werk van de Fransman Albert Cossery, in wiens werk een verwante thematiek van leven in de geest contra leven in de realiteit is aan te treffen, valt bijvoorbeeld in het voordeel uit van Cossery. Bij hem is de woede over het arbeidsethos van de zweep veel beter te proeven dan bij Brakman, die liever de voorkeur geeft aan wéér een lieflijke volzin dan eens goed uit z’n vel te springen. Terwijl Brakman achter het melkglas blijft zitten, gaat Cossery een vorm van communicatie aan met die briesende buitenwereld.

Maar dat er zich onder jonge Nederlandse schrijvers zo bitter weinig bevinden van het type Brakman is desondanks eeuwig zonde. De stuwing in Brakmans schrijven is een stuwing in de breedte, met lange beschouwingen en mijmeringen over een wissewasje of een detail, terwijl de stuwing in het meeste hedendaagse proza er een is van de voorwaartse beweging: dat verhaal moet toch vooral dóór.

We zullen altijd mensen als Willem Brakman nodig hebben om ons er aan te herinneren dat de representanten van die laatste school veel over het hoofd zien, maar dat ze ook het lef niet hebben om een tak in het rad van de tijd te steken. Saboteurs hebben we nodig. Mensen die niet in de maat dansen maar zelf de maat aangeven.